Situering van de opdracht
Uit een eerdere beschrijvende studie over de revalidatieovereenkomsten afgesloten met de zogenaamde “NOK en PSY inrichtingen” was onder meer naar voor gekomen dat bij een aantal nu in die revalidatieovereenkomsten voorziene doelgroepen de aflijning ZIV ↔ onderwijs, en, binnen de ZIV, de aflijning multidisciplinaire revalidatie ↔ monodisciplinaire logopedie een probleem was. In de eerste plaats geldt dit voor de groepen “leerstoornissen” en “taalontwikkelingsstoornissen”. De gegevens uit de voor deze studie verrichte prospectieve enquête wezen niet onbetwistbaar in de richting van resultaten in verhouding tot de geïnvesteerde sommen en evenmin in de omgekeerde richting. Daarom werd door het Verzekeringscomité aanvaard dat een multidisciplinair team universitairen belast zou worden met een overzicht van bestaande wetenschappelijke literatuur
- inzake de indicaties voor (en resultaten van) diverse vormen van bijkomende binnen- en buitenschoolse hulp en/of therapie bij leerstoornissen en inzake al dan niet terugbetaling ervan in het kader van een systeem van ziekteverzekering,
- en, vooral, inzake indicaties voor en resultaten van multidisciplinaire (= meer dan “medische + logopedische” of “medische + psychologische of (ortho)pedagogische”) aanpak, in vergelijking met indicaties voor en resultaten van monodisciplinaire aanpak bij leerstoornissen en taalstoornissen.
Na besprekingen van het College van geneesheren-directeurs met vertegenwoordigers van de logopedisten, de NOK en PSY sector en de Raad voor advies inzake revalidatie, werden deze fundamentele vragen vertaald in de volgende onderzoeksvragen voor de onderzoeksgroep:
- welke zijn de bestaande in de wetenschappelijke vakliteratuur besproken hulpverleningsvormen?
- wat is of zijn de indicatie(s) en leeftijd voor verlenen ervan?
- welke hiervan zijn monodisciplinaire hulp en door wie wordt ze verleend? Binnen de monodisciplinaire hulp, welke hiervan zijn uitsluitend voorgeschreven monodisciplinaire hulp en door wie wordt ze verleend?
- welke hiervan zijn multidisciplinaire hulp en door wie wordt ze verleend? Binnen de multidisciplinaire hulp, welke hiervan zijn uitsluitend voorgeschreven multidisciplinaire hulp en door wie wordt ze verleend?
- van welke hulpverleningsvormen is effectiviteit bewezen? Is ze bewezen na afloop, 1 jaar na afloop en nog langer? Welk is hierbij het niveau van bewijskracht?
- vanuit het perspectief van de ziekteverzekering, welke uitspraken omtrent kosten-effectiviteit zijn mogelijk op grond van kosten-effectiviteitsanalyse van hulpverleningsvormen?
- vanuit het perspectief van het kind en zijn ouders, welke uitspraken omtrent kosten-effectiviteit zijn mogelijk op grond van kosten-effectiviteitsanalyse van hulpverleningsvormen?
In de opdracht voor de onderzoeksgroep werden al een aantal begrippen voor de vragen en antwoorden omschreven. De belangrijkste waren de volgende:
- Voor de inhoudelijke omschrijving van het begrip “taalontwikkelingsstoornissen” werd verwezen naar de betrokken items uit de categorie F80 van de ICD-10 en uit de categorie “communicatiestoornissen” van de DSM-IV, terwijl voor de inhoudelijke omschrijving van het begrip “leerstoornissen” verwezen werd naar de categorie F81 van de ICD-10 en naar de categorie “leerstoornissen” van de DSM-IV.
- Het begrip “hulpverleningsvorm” betrof elke methode van gerichte voorschoolse, schoolse of buitenschoolse hulp voor taalontwikkelingsstoornissen en/of leerstoornissen, verleend door een of meer professionelen, elk ofwel gekwalificeerd en gediplomeerd onderwijskracht, paramedicus (logopedist, ergotherapeut, psychomotorieker,…), psycholoog of (ortho)pedagoog, psychosociaal werker of geneesheer.
- Binnen het begrip “hulpverleningsvorm” werd met “monodisciplinaire hulp” bedoeld gerichte hulp verleend door één van de vermelde professionelen, al dan niet na onderzoek door en op voorschrift van een geneesheer. Met “multidisciplinaire hulp” werd bedoeld gerichte hulp verleend door een gecoördineerd en structureel samenwerkend team bestaande uit minstens twee professionelen, al dan niet voorgeschreven en geleid door een geneesheer.
Tot zover enkele elementen die de literatuurstudie in zijn kader situeren en nuttig kunnen zijn bij lezing ervan.
Het Verzekeringscomité nam kennis van de studie op 4 september 2006.
Het stelde onder meer vast dat men met deze verkenningstocht naar de grenzen van de evidence based verzorging niet altijd vindt wat men hoopt te vinden. Anderzijds, los van het belang van verder overleg, meent het ook dat de resultaten de moeite lonen om mee te delen aan allen die op het terrein werken met kinderen met taalontwikkelingsstoornissen en leerstoornissen.
Met deze laatste bedoeling vindt u dan ook de tekst van de literatuurstudie (PDF - 1,02 MB) en de bijlage (PDF - 450 KB) erbij.
