Veel gestelde vragen (FAQ) - Astma en COPD
Aanbevelingen
- Welke geneesmiddelen worden door deze aanbevelingen beoogd?
- Op welke internationale wetenschappelijke aanbevelingen zijn de aanbevelingen van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen gebaseerd?
- Waarom zijn de aanbevelingen in een ministerieel besluit opgenomen ?
- Hoe zullen de aanbevelingen in de toekomst tot stand komen ?
- Wat gebeurt er wanneer de internationale aanbevelingen wijzigen?
Continuïteit en opvolging van de behandeling
- Hoe kan ik de continuïteit van de behandeling van mijn patiënt verzekeren als bijvoorbeeld
- Hoe kan ik geneesmiddelen voor de behandeling van astma en COPD voorschrijven aan patiënten van wie ik het dossier niet beheer (bv. tijdens wachten, vervangingen, voor patiënten die zich verplaatsen tijdens de vakantie, voor patiënten gevolgd en behandeld door de pneumoloog of pediater)?
- Moet ik een behandeling onderbreken vooraleer een spirometrie of een peak flowmeting uit te voeren?
Exacerbaties en andere acute aandoeningen
- Wat is een exacerbatie?
- Sluit de reglementering het voorschrijven van deze geneesmiddelen voor andere acute aandoeningen uit?
- Worden deze geneesmiddelen voor andere indicaties dan de behandeling van astma en COPD terugbetaald?
Spirometrie en piekflowmeting
- Ik ben huisarts. Wat is de nomenclatuurcode voor een spirometrie ? En wat zijn de voorwaarden ?
- Mijn patiënt is bedlegerig, moet ik een spirometrie uitvoeren?
- Wat doen bij kinderen? Bij een kind is het soms moeilijk testen uit te voeren en zijn de resultaten niet altijd betrouwbaar.
- Houden de aanbevelingen rekening met een grote longcapaciteit?
Vernevelingsvormen
- Wanneer mag ik vernevelingsvormen voorschrijven?
- In de brochure worden de vernevelingsvormen aangeduid door een *. Sommige sterretjes (*) lijken te ontbreken
Evaluatie en a posteriori controle
- Kan ik mijn huidig voorschrijfgedrag voor deze geneesmiddelen kennen en mij t.o.v. mijn collega’s situeren?
- Hoe gebeurt de a posteriori evaluatie en controle voorzien in het kader van hoofdstuk II voor deze geneesmiddelen?
1. Welke geneesmiddelen worden door deze aanbevelingen beoogd?
Deze aanbevelingen beogen de chronische behandeling in de ambulante praktijk van astma en COPD met geneesmiddelen met als enige of voornaamste indicaties de behandeling van deze aandoeningen. Met chronische behandeling bedoelt men een behandeling van meer dan 8 weken.
Meer informatie: informatiebrochure (PDF - 1,16 MB) en overzichtstabellen
2. Op welke internationale wetenschappelijke aanbevelingen zijn de aanbevelingen van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen gebaseerd?
De aanbevelingen voor astma van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen zijn gebaseerd op de aanbevelingen van GINA en de NHLBI (National Heart, Lung and Blood Institute).
De aanbevelingen voor COPD van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen zijn gebaseerd op de aanbeveling van GOLD.
3. Waarom zijn de aanbevelingen in een ministerieel besluit opgenomen ?
Bij de start van de procedure voor deze aanbevelingen was de vroegere reglementering nog van toepassing die de publicatie voorzag in het Belgisch Staatsblad bij ministerieel besluit. Intussen is de reglementering gewijzigd als gevolg van een akkoord met de artsenorganisaties zodat de aanbevelingen voortaan niet meer in een ministerieel besluit worden opgenomen.
4. Hoe zullen de aanbevelingen in de toekomst tot stand komen ?
Ze zullen opgesteld worden door de Commissie tegemoetkoming geneesmiddelen (CTG) op voorstel van een drieledige werkgroep. Deze werkgroep zal samengesteld zijn uit vertegenwoordigers, in gelijk aantal, van de representatieve organisaties van de artsen, van de ziekenfondsen en van de wetenschappelijke verenigingen.
De voorstellen van aanbevelingen van die werkgroep worden niet voorgesteld aan de CTG wanneer ze bij unanimiteit verworpen worden door 1 van de 3 betrokken groepen (waaronder dus de artsenorganisaties).
De aanbevelingen zullen daarna bekend gemaakt worden in het Belgisch Staatsblad en op de website van het RIZIV.
Een publicatie in het Belgisch Staatsblad (B.S.) is de enige officiële garantie om zich te richten tot de bevolking. Andere voorbeelden van dit soort publicaties in het B.S.: het indexcijfer, het akkoord artsen-ziekenfondsen, ...
5. Wat gebeurt er wanneer de internationale aanbevelingen wijzigen?
De aanbevelingen van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) kunnen aangepast worden wanneer de gevalideerde wetenschappelijke gegevens dit vereisen. De aanbevelingen zullen geactualiseerd worden door de CTG op voorstel van de drieledige werkgroep (zie FAQ 4). Nadien worden de aanbevelingen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en op de website van het RIZIV.
6. Hoe kan ik de continuïteit van de behandeling van mijn patiënt verzekeren als bijvoorbeeld
a) de voorgeschreven geneesmiddelen van een gestarte behandeling voor het ogenblik niet conform de aanbevelingen zijn ?
Het is duidelijk dat niet voor elke patiënt die onder behandeling staat, reeds alle elementen beschikbaar zijn om de behandeling op de aanbeveling te kunnen afstemmen. Een redelijke overgangstermijn is dus noodzakelijk. De reglementering bepaalt dat de evaluatie van het voorschrijfgedrag enkel betrekking kan hebben op de voorschriften vanaf de datum van bekendmaking van de indicatoren (om afwijkend voorschrijfgedrag te kunnen identificeren, zie FAQ 19) De minister heeft aan het RIZIV gevraagd geen indicatoren te publiceren gedurende een periode van minstens 6 maanden. Uw concrete voorschrijfgedrag zal dus gedurende tenminste 6 maanden niet worden geëvalueerd voor de toepassing van deze aanbevelingen. Tijdens deze overgangsperiode kan u uw voorschrijfgedrag geleidelijk aanpassen aan de aanbevelingen.
b) ik de spirometrie-waarden niet ken ?
Ook in dit geval hebt u minstens 6 maanden tijd om die spirometrie-waarde te kennen en op basis daarvan de behandeling eventueel aan te passen conform de aanbevelingen.
7. Hoe kan ik geneesmiddelen voor de behandeling van astma en COPD voorschrijven aan patiënten van wie ik het dossier niet beheer (bv. tijdens wachten, vervangingen, voor patiënten die zich verplaatsen tijdens de vakantie, voor patiënten gevolgd en behandeld door de pneumoloog of pediater)?
De behandelingen voorgeschreven aan de patiënten van wie u het dossier niet beheert zullen (meestal) een duur van 8 weken niet overschrijden. De voorschriften voor deze behandelingen met een duur kleiner dan of gelijk aan 8 weken worden niet geëvalueerd. Voor meer informatie over de evaluatie zie FAQ 19.
8. Moet ik een behandeling onderbreken vooraleer een spirometrie of een peak flowmeting uit te voeren?
Het is niet nodig een chronische behandeling te onderbreken vooraleer die technische onderzoeken uit te voeren.
Bij COPD dient een spirometrie uitgevoerd te worden bij een patiënt in stabiele toestand na bronchodilatatie.
Bij astma kan een meting in stabiele toestand (peak flowmeting of spirometrie) vergeleken worden met de gemeten waarden na bronchodilatatie of tijdens een acute opstoot.
9. Wat is een exacerbatie?
Een exacerbatie is een acute opstoot van astma of COPD.
De behandeling van exacerbaties maakt geen deel uit van deze aanbevelingen.
10. Sluit de reglementering het voorschrijven van deze geneesmiddelen voor andere acute aandoeningen uit?
Het gebruik van deze geneesmiddelen voor de behandeling van acute aandoeningen (gedurende minder dan of gelijk aan 8 weken) wordt niet geviseerd door de nieuwe reglementering.
De voorschriften voor behandelingen met een duur kleiner dan of gelijk aan 8 weken worden niet geëvalueerd. Voor meer informatie over de evaluatie zie FAQ 19.
11. Worden deze geneesmiddelen voor andere indicaties dan de behandeling van astma en COPD terugbetaald?
Ja. De nieuwe reglementering heeft hieraan niets gewijzigd
Maar als algemeen beginsel geldt dat een voorschrift van geneesmiddelen moet beantwoorden aan de indicaties van de bijsluiter.
U vindt de indicaties van geneesmiddelen uit de bijsluiter in de databank Farmaceutische specialiteiten op de website van het RIZIV
12. Ik ben huisarts. Wat is de nomenclatuurcode voor een spirometrie ? En wat zijn de voorwaarden ?
Wanneer u een spirometrie uitvoert kan u de nomenclatuurcodes 114133 of 114155 attesteren.
- 114133
Spirometrie met protocol, flow/volumecurve, tijd/volumecurve en bepaling van minstens volgende parameters in absolute waarde en in percentage van de voorspelde waarde : FVC, FEV1 en FEV1/FVC
- 114155
Spirometrie met bepaling van de reversibiliteit van luchtwegenobstructie, inclusief protocol, flow/volumecurve, tijd/volumecurve en bepaling van minstens volgende parameters in absolute waarde en in percentage van de voorspelde waarde : FVC, FEV1 en FEV1/FVC
Voorwaarden:
U mag één van deze verstrekkingen slechts één maal per jaar aanrekenen, behalve voor patiënten met een aangetoond obstructief longlijden.
Als erkend huisarts mag u die verstrekkingen enkel attesteren als u een opleiding volgde die doorde accrediteringsstuurgroep is aanvaard en minstens 10 uur duurt.
13. Mijn patiënt is bedlegerig, moet ik een spirometrie uitvoeren?
Het ligt voor de hand dat bij bedlegerige patiënten geen spirometrie kan worden geëist.
14. Wat doen bij kinderen? Bij een kind is het soms moeilijk testen uit te voeren en zijn de resultaten niet altijd betrouwbaar.
Bij zeer jonge kinderen kan nog geen piekflowmeting worden geëist.
15. Houden de aanbevelingen rekening met een grote longcapaciteit?
Deze criteria werden opgesteld op basis van curven die populatiegegevens weergeven met de individuele variaties. De drempels vastgelegd voor de COPD stadia zijn consensueel. De evaluatie van de doeltreffendheid van geneesmiddelen is gebeurd op basis van deze consensuele drempels. Uit strikt EBM (Evidence Based Medicine) standpunt is er slechts een voordeel bij FEV1 < 50%. De buitenlandse guidelines en de aanbevelingen van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen zijn ruimer bij het bepalen van de drempel voor langwerkende bronchodilatatoren (<80%).
16. Wanneer mag ik vernevelingsvormen voorschrijven?
De aanbevelingen voorzien dat vernevelingsvormen enkel voorgeschreven worden bij patiënten die omwille van een motorische of mentale handicap waardoor een correct gebruik van inhalatievormen niet mogelijk is.
De aanbevelingen vereisen hier geen « erkende » motorische of mentale handicap, maar wel motorische of mentale moeilijkheden bij het gebruik van poederinhalatoren of dosisaërosols
Verschillende studies hebben aangetoond dat het gebruik van vernevelingsvormen minder doeltreffend is voor een controle van de ziekte dan aerosol eventueel met voorzetkamer, zowel in acute als chronische situaties.
17. In de brochure worden de vernevelingsvormen aangeduid door een *. Sommige sterretjes (*) lijken te ontbreken.
Corrigendum
In de brochure (PDF - 1,16 MB) moet een * toegevoegd worden bij de volgende geneesmiddelen:
- voor astma :
- p.12, lijst 2A (kortwerkende anticholinergica): ATROVENT(verneveloplossing)
- p.14, lijst 9A (inhalatiecorticosteroïden): FLIXOTIDE-NEBULES (vernevelsuspensie) et PULMICORT (vernevelsuspensie)
- voor COPD:
- p. 21, lijst 2B (kortwerkende anticholinergica): ATROVENT (verneveloplossing)
18. Kan ik mijn huidig voorschrijfgedrag voor deze geneesmiddelen kennen en mij t.o.v. mijn collega’s situeren?
Het RIZIV zal, vóór de publicatie van de indicatoren (zie FAQ 19), de artsen een feedback geven over hun huidig voorschrijfgedrag van deze geneesmiddelen.
19. Hoe gebeurt de a posteriori evaluatie en controle voorzien in het kader van hoofdstuk II voor deze geneesmiddelen?
Het voorschrijfgedrag van de individuele artsen zal globaal geëvalueerd worden op basis van indicatoren.
- Wie bepaalt de indicatoren?
Het Comité voor de evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen (CEG) zal in de toekomst indicatoren definiëren. Nadien zal het RIZIV ze bekend maken op haar website en in het Belgisch Staatsblad.
Het is pas na publicatie van die indicatoren dat een evaluatieperiode kan starten.
De artsen zullen worden verwittigd bij de publicatie van deze indicatoren.Het CEG is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Belgische universiteiten, de ziekenfondsen, de artsensyndicaten, de wetenschappelijke verenigingen, de representatieve beroepsorganisaties van de officina-apothekers en van de ziekenhuisapothekers, de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen.
- Welke behandelingen worden geëvalueerd?
Enkel de chronische behandelingen met een duur langer dan 8 weken kunnen geëvalueerd worden. De behandelingen met een duur kleiner of gelijk aan 8 weken worden niet geëvalueerd. Bij het bepalen van de indicatoren zal het CEG rekening gehouden worden met deze behandelingsduur.
- Moet ik vanaf 1 november voorschrijven volgens de aanbevelingen?
De minister heeft aan het RIZIV gevraagd geen indicatoren te publiceren gedurende een periode van minstens 6 maanden. Tijdens deze overgangsperiode kunnen de artsen hun voorschrijfgedrag geleidelijk aanpassen aan de aanbevelingen.
Tijdens dezelfde periode tracht het RIZIV alle vragen van de artsen rond dit thema te beantwoorden via de FAQs ( frequently asked questions) op de website. -
Wat is een indicator?
Een indicator geeft de drempelwaarde aan waarboven het voorschrijfprofiel van de arts onderzocht zal worden wat betreft de naleving van de aanbevelingen. Deze arts zal dus als outlier worden beschouwd.
De indicatoren zullen zo worden gedefinieerd dat kortlopende behandelingen niet in de evaluatie worden opgenomen. Enkel de behandelingen met een aantal DDD (defined daily dose) hoger dan het aantal DDD voor een behandeling van 8 weken worden geviseerd. - Wat is een outlier?
Een outlier is een arts waarvan het globaal voorschrijfgedrag manifest afwijkt van het gemiddelde voorschrijfgedrag van alle artsen uit zijn discipline (boven een drempelwaarde bepaald door de indicator)
- Word ik geëvalueerd per voorschrift?
U wordt niet geëvalueerd op individuele voorschriften maar op uw globaal voorschrijfgedrag voor deze groep geneesmiddelen. Hierbij wordt u vergeleken met uw collega’s van dezelfde discipline: gangbare praktijken kunnen medebepalend zijn voor het bepalen van de drempelwaarde.
- Hoe gebeurt de 1e fase van de evaluatie?
Indien een arts als outlier aangemerkt is, wordt hij uitgenodigd om zijn schriftelijke verweermiddelen te bezorgen
Indien zijn verantwoording als overtuigend wordt beschouwd wordt het dosssier afgesloten zonder gevolg.
Indien de verantwoording niet overtuigend is start een opvolgingsfase (monitoring), voor de betrokken voorschriften, voor een periode van ten minste 6 maanden. - Wanneer zijn de artsen verplicht bewijselementen in het dossier te bewaren?
Enkel een arts onder monitoring moet, vanaf het starten van deze monitoringfase voor de voorschriften tijdens deze monitoringfase bewijzen dat die elementen in het dossier aanwezig zijn. Deze elementen dienen om te staven dat hij conform de aanbevelingen voorschrijft.
Het bijhouden van deze elementen is ook aanbevolen buiten de monitoring.
- Welke bewijselementen zijn voorzien in deze aanbevelingen?
De elementen die de arts moet bewaren,en desgevallend kunnen voorleggen, zijn de diagnostische criteria, gemeten graad van de luchtwegenobstructie, datum van de onderzoeken, stap van de astmabehandeling of stadium van de COPD, eventueel motorische of mentale moeilijkheden bij gebruik van vernevelingsvormen.
- Wat gebeurt er na afloop van de monitoringfase (1e fase)?
a) Als na afloop van een monitoringfase blijkt dat de arts zijn voorschrijfgedrag heeft aangepast conform de aanbevelingen stopt de evaluatie.
b) Indien daarentegen blijkt dat de arts zijn voorschrijfgedrag niet of onvoldoende heeft aangepast wordt hij opnieuw verzocht om, binnen de maand na de datum van het verzoek, zijn schriftelijke verklaringen te geven aan het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (DGEC). Het Comité van de DGEc is o.a. samengesteld uit vertegenwoordigers van de artsen en van de Orde van geneesheren.
1e geval: indien het Comité oordeelt dat zijn verklaringen overtuigend zijn stopt de evaluatie zonder gevolg of met een waarschuwing.
2e geval: indien het Comité oordeelt dat verklaringen niet overtuigend zijn wordt de arts opnieuw geëvalueerd op basis van een steekproef uit zijn voorschriften.
- Hoe gebeurt de 2e fase van de evaluatie op basis van een steekproef met een tolerantiemarge van 20%
Deze evaluatie op basis van een steekproef uit de betrokken voorschriften van de arts voorziet een tolerantiemarge van 20%. De steekproef wordt uitgevoerd door het Nationaal college van adviserend geneesheren en de resultaten worden meegedeeld aan het Comité van de DGEC. Indien in minstens 20% van de gevallen de aanbevelingen onvoldoende worden nageleefd kan een administratieve sanctie volgen.
Deze tolerantiemarge van 20% maakt deel uit van de evaluatieprocedure die ten vroegste binnen 6 maand van start gaat.
