B. De wettelijke en reglementaire bronnen
De bijwerkingen hebben een gele achtergrond - 02/02/2012
Artikel 191, 1e lid, 7° (PDF - 57 KB) van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vermeldt onder de verzekeringsinkomsten de opbrengst van een inhouding van 3,55 pct., verricht op de wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of op elk ander als zodanig geldend voordeel, alsmede op elk voordeel, bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij bij toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij bij toepassing van bepalingen die voortvloeien uit een arbeidscontract, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectoriële overeenkomst.
Deze inhouding mag niet tot gevolg hebben dat bij het totaal van de hierboven vermelde pensioenen of voordelen wordt verminderd:
- vanaf 1 oktober 1990 tot een bedrag, lager dan 520,06 EUR per maand verhoogd met 96,28 EUR voor de rechthebbenden met gezinslast
- vanaf 1 oktober 1991, tot een bedrag, lager dan 530,47 EUR per maand, verhoogd met 98,22 EUR voor de rechthebbenden met gezinslast. Dit bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 132,13. Het wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied, opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Vanaf 1 februari 2012 bedraagt het grensbedrag voor de alleenstande rechthebbenden 1.386,11 EUR en 1.642,74 EUR in geval van verhoging voor gezinslast.
De opbrengst van de krachtens artikel 191, 1e lid, 7° verrichte inhouding, wordt overeenkomstig artikel 192 van dezelfde wet aan de verzekering voor geneeskundige verzorging toegekend.
De wettekst onderwerpt ook de pensioenvoordelen, die voor de wettelijke pensioenleeftijd worden gestort, aan de inhouding. Het gebeurt immers vaak dat het aanvullend voordeel wordt uitgekeerd op het moment dat de werknemer de onderneming verlaat, en dat is soms lang voor de wettelijke pensioenleeftijd. Ingeval van een groepsverzekering wordt over een afkoop gesproken.
De principes van het huidige artikel191 , 1e lid, 7° zijn vastgelegd in artikel 161 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de begrotingsvoorstellen 1979-1980. Dat artikel 161 werd geplaatst in artikel 121, 10° van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals ze van toepassing was (1).
Een koninklijk besluit van 15 september 1980, houdende uitvoering van artikel 191, 1e lid, 7° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zorgt voor de inwerkingtreding van de inhouding (2):
- in artikel 2, §1 is bepaald wat dient te gebeuren met de renten en aanvullende voordelen die niet maandelijks worden uitbetaald. Wanneer het om kapitalen gaat, wordt het maandbedrag bekomen na hun omzetting in fictieve renten. Die fictieve renten worden opgeteld bij de andere pensioeninkomsten om na te gaan of het totale brutobedrag van de inkomsten al dan niet boven de in aanmerking genomen grensbedragen ligt (3);
- in artikel 3 worden het begin van de inhoudingen bij de uitbetalingsinstellingen en de terugbetalingen van onverschuldigde inhoudingen aan de betrokkenen geregeld (4);
- in artikel 4 worden de aangiften behandeld die door de uitbetalingsinstellingen moeten worden ingevuld en die bij elke overdracht van inhoudingen naar de rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering moeten worden gevoegd;
- in artikel 7, §1 worden de verhogingen en interesten behandeld die door de uitbetalingsinstelling moeten worden betaald in geval van vertraging in de betaling en worden de forfaitaire vergoedingen bepaald die moeten worden betaald door de uitbetalingsinstelling die haar aangiften niet in de voorgeschreven vorm en termijn indient (5).
Het ministerieel besluit van 22 september 1980 tot vaststelling van sommige toepassingsmodaliteiten van het koninklijk besluit van 15 september 1980 (PDF - 95 KB) tot uitvoering van artikel 191, 7° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt de vorm van de aangiften, waarvan het model bovendien bij dat besluit gaat (6).
