Systeem van de referentiebedragen: FAQ - Methodologie 2009

1. Waarom zijn de verstrekkingen uit artikel 22 (fysiotherapie) in de methode 2009 uitgesloten, terwijl ze in de methode 2006 waren opgenomen?


Het nut om de fysiotherapie uit te sluiten voor bepaalde APR-DRG bleek al uit de studie van het KCE 'Evaluatie van de referentiebedragen' (pagina 9). De vraag is opnieuw gesteld door de werkgroep van de multipartite waarop de hervormingen die in het systeem 2009 zijn aangebracht, grotendeels zijn geïnspireerd.

Het systeem 2006 is opgenomen in de wet van 19 december 2008 houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg (B.S. van 31/12/2008), zonder technische wijzigingen ten opzichte van de versie van hervorming die eind 2005 werd opgesteld. Met het oog op de juridische zekerheid leek het immers niet adequaat om eind 2008 terug te werken tot de verblijven van 2006 tot 2008 en om de ‘spelregels’ met terugwerking te wijzigen. Zij zijn dus van toepassing voor de toekomst, vanaf de verblijven 2009.

2.Wat is het principe van de carensperiode?

Alle verstrekkingen uit de 3 verstrekkingengroepen 'medische beeldvorming', 'klinische biologie' en 'technische verstrekkingen' zijn opgenomen in de berekening van de referentiebedragen en de mediaanuitgave:

  • als ze zijn verricht binnen een periode van 30 dagen vóór een ziekenhuisopname ('carensperiode' genoemd)

en

  • als ze tot een van de 20 heelkundige APR-DRG behoren.

Dit is van toepassing:

  • ongeacht of die verstrekkingen al dan niet zijn verricht in een ziekenhuis
  • ongeacht of het gaat om hetzelfde ziekenhuis als dat van de opname dan wel om een ander ziekenhuis.

3.Wanneer zal de carensperiode in werking treden?

Het koninklijk besluit van 18 december legt de carensperiode vast. De carensperiode is van toepassing vanaf de verblijven 2013.

4.Heeft de carensperiode ook betrekking op de ambulante verstrekkingen die niet zijn gekoppeld aan de APR-DRG die tot de referentiebedragen behoren?

Alleen de ambulante verstrekkingen die tot de 3 verstrekkingengroepen behoren, die zijn verricht binnen de 30 dagen voor een ziekenhuisopname en die tot een van de 20 heelkundige APR-DRG behoren, zijn opgenomen in de berekening van de referentiebedragen en van de mediaanuitgave.

5.Wordt in het kader van de carensperiode rekening gehouden met de voorschrijver?

Neen, er wordt geen rekening gehouden met de voorschrijver.

6.Zijn de verstrekkingen in een dagziekenhuis meegerekend voor de carensperiode?

Het koninklijk besluit van 18 december 2012 breidt het systeem van de referentiebedragen uit naar verstrekkingen in een dagziekenhuis. Die uitbreiding is dus van toepassing op de verblijven 2013.

7.Worden de onderzoeken die niet gekoppeld zijn aan de pathologie die de hospitalisatie verantwoordt en die zijn voorgeschreven door externe artsen, binnen de 30 dagen die aan de opname voorafgaan, in aanmerking genomen?

Deze verstrekkingen zijn opgenomen in de berekening van de referentiebedragen en de mediaanuitgave:

  • als ze tot een van de 3 verstrekkingengroepen behoren

en

  • als ze zijn verricht binnen een periode van 30 dagen vóór een ziekenhuisopname die tot een van de 20 heelkundige APR-DRG behoort.

8.Zal er rekening worden gehouden met de ambulante verstrekkingen die zijn verricht binnen 30 dagen die voorafgaan aan een spoedopname in een ziekenhuis?

In het kader van de referentiebedragen en de verstrekkingen die zijn verricht gedurende de carensperiode, wordt geen rekening gehouden met het al dan niet dringende karakter van de ziekenhuisopname.

9.Hoe kan het ziekenhuis de verstrekkingen controleren die tijdens de carensperiode buiten het ziekenhuis zijn verricht?

Het zal voor het ziekenhuis onmogelijk zijn om de verstrekkingen te controleren die gedurende de carensperiode buiten het ziekenhuis zijn verricht. Het zal wel informatie ontvangen over alle verstrekkingen die in aanmerking zijn genomen, ongeacht of ze al dan niet in dat ziekenhuis zijn verricht.

10.Waarvoor dienen de drempels die vanaf de methodologie 2009 zijn ingevoerd?

Wanneer wordt gewerkt met een systeem dat op de nationale gemiddelden is gebaseerd, bestaat de vrees dat de wijziging van het gedrag van de actoren leidt tot een negatieve spiraal van de gemiddelden, waardoor de zorgkwaliteit in het gedrang komt. De oplossing voor dat probleem is drempels vastleggen waaronder de gemiddelden en bijgevolg de referentiebedragen niet mogen dalen. Artikel 56ter voorziet dus, vanaf de methodologie 2009, in de mogelijkheid om drempels vast te leggen die toelaten om de vermindering van de referentiebedragen van jaar tot jaar te beperken (jaarlijkse drempel), maar ook om de vermindering op lange termijn te beperken (absolute drempel). De koning kan die drempels vaststellen.

11.Hoe zullen die drempels worden vastgelegd?

Sinds december 2008 heeft de minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken aan de multipartite overlegstructuur de opdracht gegeven om een advies uit te brengen over de invoering van verschillende bijzondere regels, waaronder de vaststelling van de drempels. De multipartite heeft een advies uitgebracht dat nog niet in een wettekst is vertaald. De vrees voor een drastische vermindering van de gemiddelden die de zorgkwaliteit in gevaar zou brengen, werd immers nog niet vastgesteld.

Meer informatie

Contacten

 

Laatst aangepast op 02 oktober 2014