Publié le 09/07/2018
   

FR   NL  

Koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Art. 238.


Afdeling XVIII.- Bijzondere voorwaarden inzake verkrijgen van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid
Art. 239.
10/08/1996 § 1. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid als bedoeld bij artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet te bereiken:
06/10/1996 de gerechtigde wie het verboden is naar zijn werk te gaan gedurende de hierna vermelde periode, omdat hij in contact is gekomen met iemand die aangetast is door één van de volgende besmettelijke ziekten:
10/08/1996 Difterie 7 dagen
10/08/1996 (met mogelijke verlenging indien de betrokkene kiemdrager is)
10/08/1996 Epidemische encephalitis 17 dagen
10/08/1996 Typhus en paratyphus 12 dagen
10/08/1996 Meningitis cerebrospinalis 9 dagen
10/08/1996 Malleus 12 dagen
10/08/1996 Poliomyelitis 17 dagen
10/08/1996 Roodvonk 10 dagen
10/08/1996 Pokken 18 dagen
10/08/1996 Deze perioden gaan in op de dag dat de gerechtigde met de zieke in contact is gekomen en niet op de dag waarop de kennisgeving van arbeidsonderbreking werd verzonden of afgegeven.
06/10/1996 opgeheven K.B. 13-4-97 - B.S. 3-7
19/07/2018 § 2. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden, de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden tijdens de periode waarover zij een programma van revalidatie volgen, goedgekeurd door het College van artsen-directeurs, of een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit.


Art. 240.

FR   NL   [Affichage pour impression]