Publié le 26/11/1970
   

FR   NL  

Koninklijk besluit van 20 november 1970 houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheden van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden

Art. 4.


Art. 5.
10/01/2005 § 1. Voor de toepassing van dit artikel is de steenkolenmijn de technische eenheid van ontginning waarvan de hoofdzakelijke en blijvende bedrijvigheid bestaat in het opdelven van steenkolen.
10/01/2005 § 2. Zijn onderworpen aan het stelsel der maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en de er mee gelijkgestelden en zijn verplichtend aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
10/01/2005 de steenkolenmijnwerkers, namelijk de arbeiders die in steenkolenmijnen te werk gesteld zijn en de arbeiders van particuliere aannemers die ondergronds of bovengronds in de steenkolenmijnen werken, indien deze werkzaamheden van blijvende aard zijn en de eigenlijke uitbating aanbelangen;
10/01/2005 de in de andere mijnen te werk gestelde arbeiders;
10/01/2005 de arbeiders te werk gesteld in om het even welke groeven indien de ontginning ondergronds geschiedt of aan ondergrondse en bovengrondse werkzaamheden in de onderaardse ontginning der groeven die tegelijkertijd een openlucht en een onderaardse ontginning omvatten.
10/01/2005 Worden beschouwd als groeven waarvan de ontginning onderaards is :
10/01/2005 a) de groeven waar de ontginning langs rechte putten of langs flesvormige putten geschiedt, indien deze 20 meter of meer diep zijn;
10/01/2005 b) de groeven waar de ontginning geschiedt door onderaardse gangen of onderaardse uitgravingen, indien het nodig is kunstmatige verlichting aan te wenden om er te arbeiden;
10/01/2005 de arbeiders te werk gesteld in de fabrieken van bijprodukten van steenkolen welke aan steenkolenmijnen verbonden zijn, evenals de arbeiders in de cokesfabrieken te werk gesteld op het ogenblik van het stopzetten van het opdelven van steenkolen in de mijn waaraan zij verbonden zijn en die na deze stopzetting verder te werk gesteld blijven in die cokesfabrieken en de arbeiders van de steenkolenmijnen waaraan de cokesfabrieken verbonden zijn en die, wegens het stopzetten van het opdelven van steenkolen in deze mijnen, rechtstreeks worden overgeplaatst van deze mijnen naar genoemde cokesfabrieken;
10/01/2005 de arbeiders, op het ogenblik van het stopzetten van het opdelven van steenkolen te werk gesteld in een steenkolenmijn en die, na deze stopzetting, er verder uitsluitend te werk gesteld blijven aan werkzaamheden betreffende het buiten gebruik stellen van installaties, aan werkzaamheden betreffende de bewerking, de omvorming en de afzet van vaste brandstoffen, alsmede aan de werkzaamheden verricht in de andere in werking gehouden diensten van de mijn.
10/01/2005 de afgevaardigden-arbeiders bij het mijntoezicht;
10/01/2005 de leerlingen-mijnwerkers van wie de leerovereenkomst valt in het toepassingsgebied van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst en die in de onder 1° bedoelde ondernemingen werkzaamheden verrichten die onontbeerlijk zijn voor hun opleiding tot mijnwerker; de onderwerping van deze leerlingen is evenwel beperkt tot het stelsel van de jaarlijkse vakantie, (...).
10/01/2005 de arbeiders die op 26 mei 1989 in een steenkolenmijn zijn tewerkgesteld met een voor een onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst en die, nadat de steenkoolproduktie is stopgezet, door dezelfde werkgever tewerkgesteld blijven buiten een steenkolenmijn tot 31 december 1996.
10/01/2005 § 3. Worden met de in § 2, 3°, beoogde arbeiders gelijkgesteld :
10/01/2005 de arbeiders die effectieve diensten hebben geleverd in de groeven die niet beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in § 2, 3°, tweede lid, a) of b) hierboven, en die verzekeringsbijdragen hebben gestort bij toepassing van de wetten van 30 december 1924 of van 1 augustus 1930;
10/01/2005 de arbeiders die vóór 1 maart 1947 effectieve diensten hebben verricht in de in § 2, 3° bedoelde groeven.

Art. 6.

FR   NL   [Affichage pour impression]