Publié le 10/01/2005
   

FR   NL  

Koninklijk besluit van 15 september 1980 tot uitvoering van artikel 191, eerste lid, 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Artikel 1.
01/01/2002 In dit besluit wordt verstaan:
01/01/2002 a) onder "pensioen" elk wettelijk, reglementair of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel alsook de renten verworven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmnisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ongeacht het periodieke of éénmalige voordelen betreft.
01/01/2002 Worden eveneens als pensioen aangezien de invaliditeitspensioenen van de administratieveen militaire personeelsleden, van de magistraten en van de agenten van de rechterlijke orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, betaald ten laste van de Schatkist wegens bewezen diensten in Afrika;
01/01/2002 b) onder "aanvullend voordeel" elk voordeel ter vervollediging van een pensioen toegekend hetzij in toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij in toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidscontract, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectoriële overeenkomst, ongeacht het periodieke of éénmalige voordelen betreft.
01/01/2002 Worden niet als pensioenen of aanvullende voordelen aangezien de vakantiegelden en de aanvullende vakantiegelden, de eindejaarstoelage, de verwarmingstoelagen, de aanpassingsvergoedingen en de forfaitaire welvaartspresmies;
01/01/2002 c) onder "inhouding" de inhouding bedoeld bij artikel 191, eerste lid, 7° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
01/01/2002 d) onder "drempel" het bedrag waarvan sprake in het tweede lid van voornoemd artikel 191, eerste lid, 7°, met dien verstande dat de verhoging voor de rechthebbenden met gezinslast wordt toegepast indien bij de vaststelling van het pensioen een verhoging wegens gezinslast wordt verleend of wanneer het pensioen wordt toegekend wegens gezinslast.
01/01/2002 Deze verhoging wordt eveneens toegepast wanneer de echtgenote of echtgenoot van de rechthebbende geen beroepsinkomen heeft ander dan dit voortspruitend uit toegelaten arbeid zoals voorzien in de pensioenregeling van de werknemers, noch in het genot is van een sociaal voordeel krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving alsook wanneer de rechthebbende uitsluitend samenwoont met kinderen waarvan ten minste één recht heeft op kinderbijslag;
01/01/2002 e) onder "Rijksinstituut" het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
01/01/2005 f) onder « Rijksdienst », de Rijksdienst voor pensioenen.
01/01/2005 g) onder « Administratie », de Administratie der pensioenen.


Art. 2.

FR   NL   [Affichage pour impression]