Gecoördineerde wet van 14-7-1994

Résumé: Numac tekst: 1994071451 - p. 21524

De hierna vermelde artikelen kan u terugvinden in de table met bijlagen die zich onder de inhoudstafel bevindt: art. 25octies-1 tot 25octies-2, 25quater-1, 25septies, 35quater-1, 35septies, 35septies 1 tot 6, 37vicies-1, 116-1 tot 116-5, 165-1, 15°novies

Note: Met volledige historiek.

Tekst bijgewerkt tot: B.S. 14-08-2020 - Wijzigende numac: 2020203351 - p. 60802

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]


Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.

...

HOOFDSTUK III.- BIJZONDERE BEPALINGEN TER ZAKE VAN DE UITKERINGSVERZEKERING

Art. 128.

§ 1. Om het recht op de in titel IV bedoelde prestaties te verkrijgen moeten de in artikel 86, § 1, bedoelde gerechtigden in de volgende voorwaarden een wachttijd volbrengen:

over een periode van twaalf maanden die de datum van het verkrijgen van het recht voorafgaat, een door de Koning vastgesteld aantal arbeidsdagen totaliseren. De dagen van inactiviteit welke kunnen gelijkgesteld worden met arbeidsdagen worden door de Koning omschreven. Hij stelt eveneens vast wat dient te worden verstaan onder «arbeidsdag»;

onder de door de Koning bepaalde voorwaarden het bewijs leveren dat met betrekking tot diezelfde periode de bijdragen voor de sector uitkeringen werkelijk betaald werden; deze bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of moeten, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld.

§ 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de wachttijd wordt afgeschaft of verminderd.

Hij kan ook de voorwaarden wijzigen inzake het volbrengen van de wachttijd voor seizoenarbeiders, arbeiders bij tussenpozen en deeltijds tewerkgestelde werknemers. Hij bepaalt wat onder "seizoenarbeiders", "arbeiders bij tussenpozen" en "deeltijds tewerkgestelde werknemers" dient verstaan te worden.

Art. 129.

Onverminderd de bepalingen van artikel 131, bepaalt de Koning onder welke voorwaarden:

de gerechtigden die de wachttijd hebben volbracht overeenkomstig artikel 128, het recht op de in titel IV bepaalde prestaties behouden tot het einde van het kwartaal waarin zij hun wachttijd hebben beëindigd;

de gerechtigden die overeenkomstig de bepalingen van artikel 128, § 2, vrijgesteld zijn van het volbrengen van de wachttijd of een verminderde wachttijd hebben volbracht, recht hebben op diezelfde prestaties tot het einde van het derde kwartaal dat volgt op dat tijdens hetwelk zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben bekomen.

Art. 130.

De in het vorig artikel bedoelde gerechtigden kunnen de in titel IV bedoelde prestaties blijven genieten, op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat tijdens hetwelk zij er een beroep op doen, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, het bewijs leveren dat:

zij op één of andere wijze gedurende een door de Koning te bepalen aantal werkdagen de in artikel 86, § 1, omschreven hoedanigheid van gerechtigde hebben behouden;

de bijdragen voor de sector uitkeringen en eventueel, de bijdragen van de voortgezette verzekering werden betaald.

Deze bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld. Deze voorwaarde wordt niet geëist voor in artikel 86, § 1, 2° bedoelde gerechtigden.

De gerechtigde die op het einde van een kwartaal uitkeringen geniet, blijft deze genieten tot de lopende arbeidsongeschiktheid eindigt.

De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijds tewerkgestelde werknemers, de in het eerste lid bedoelde prestaties blijven genieten.

Art. 131.

De uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid zijn slechts verschuldigd aan de gerechtigden op voorwaarde dat er geen doorlopend tijdvak van meer dan dertig dagen verlopen is tussen de aanvangsdag van hun arbeidsongeschiktheid en de laatste dag van een tijdvak waarover zij de in artikel 86, § 1, bedoelde hoedanigheid van gerechtigde hadden, of als arbeidsongeschikt erkend waren in de zin van deze gecoördineerde wet.

Art. 132.

Voor de toepassing van de artikelen 128 tot en met 131, wordt de wijze van bewijsvoering vastgesteld door een verordening van het Beheerscomité.

Art. 133.

Opgeheven door: Wet(prog) 27-12-12 - B.S. 31-12 - ed. 2 - art. 58

Art. 134.

§ 1. De toekenning van de in titel IV bedoelde prestaties wordt geweigerd ingeval de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door de gerechtigde opzettelijk gepleegde fout.

§ 2. De toekenning van de uitkeringen die onder titel IV zijn bepaald, wordt stopgezet zolang de gerechtigde niet voldoet aan de controleverplichtingen welke hem door iedere krachtens de gecoördineerde wet bevoegde persoon worden opgelegd.

...

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]