Gecoördineerde wet van 14-7-1994

Résumé: Numac tekst: 1994071451 - p. 21524

De hierna vermelde artikelen kan u terugvinden in de table met bijlagen die zich onder de inhoudstafel bevindt: art. 25octies-1 tot 25octies-2, 25quater-1, 25septies, 35quater-1, 35septies, 35septies 1 tot 6, 37vicies-1, 116-1 tot 116-5, 165-1, 15°novies

Note: Met volledige historiek.

Tekst bijgewerkt tot: B.S. 14-08-2020 - Wijzigende numac: 2020203351 - p. 60802

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]


Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.

...

TITEL XI.- OVERGANGSBEPALINGEN

Art. 215.

§ 1. In afwachting van de inzake de bescherming van de titel of de vereisten inzake vestiging in het beroep te treffen nodige wettelijke maatregelen, wordt bij de Dienst voor geneeskundige verzorging een erkenningsraad ingesteld voor ieder van de beroepen die in aanmerking kunnen komen om de in artikel 34, eerste lid, 4°, met uitsluiting van het verstrekken van hoortoestellen, en 4° bis opgesomde verstrekkingen te verlenen.

§ 2. De erkenningsraden, waarvan de zittingen besloten zijn, zijn belast met het opmaken van de lijst van de personen die ze erkennen volgens de criteria die inzake bevoegdheid en uitoefening van het beroep door de Koning zijn vastgesteld. Vanuit dat oogpunt kunnen ze te allen tijde de erkenning schorsen of intrekken van een erkende zorgverlener die een feit heeft gepleegd dat ze als een tekortkoming in de uitoefening van het beroep beschouwen. Ze kunnen de uitvoering van die sancties opschorten gedurende de door hen te bepalen termijn tussen zes maanden en drie jaar, op voorwaarde dat de betrokken zorgverlener niet al een eerste gelijkaardige sanctie opgelegd heeft gekregen. De raden kunnen, in geval van een lichte overtreding, de zorgverlener ervan verwittigen dat de door hem gepleegde feiten als een tekortkoming in de uitoefening van het beroep worden beschouwd, zonder te beslissen voor die feiten een sanctie, namelijk de schorsing of de intrekking van de erkenning, op te leggen. De raad kan in geval van uitstel van intrekking van de erkenning eveneens proefmaatregelen voorstellen, met name dat het technisch bevoegdheidsexamen opnieuw moet worden afgelegd in de gevallen waarin het afleggen van een dergelijk examen vereist is voor het verkrijgen van de erkenning. De bedoelde zorgverleners worden vooraf in hun verweermiddelen gehoord. Ze moeten niet worden gehoord als ze zich na een tweede oproeping niet aanmelden. De opgeroepen zorgverlener mag zich door een of meer raadslieden laten bijstaan.

De Koning kan in die maatstaven wijzigingen aanbrengen:

op grond van het voorstel dat door de bevoegde erkenningsraad op eigen initiatief is geformuleerd en dat aan de betrokken overeenkomstencommissie is voorgelegd; die commissie formuleert een advies, alvorens het samen met het voorstel aan het Verzekeringscomité te bezorgen;

op grond van het voorstel dat de erkenningsraad op verzoek van de minister of de betrokken overeenkomstencommissie heeft geformuleerd. Die voorstellen worden bezorgd aan het Verzekeringscomité, dat daarover een advies uitbrengt;

op grond van het voorstel dat door de overeenkomstencommissie of door de minister is uitgewerkt en dat in zijn oorspronkelijke of geamendeerde tekst behouden blijft nadat het voor advies is voorgelegd aan de betrokken erkenningsraad; dat advies wordt geacht te zijn gegeven wanneer het niet is geformuleerd binnen de termijn van drie maanden die ingaat op de dag van de aanvraag.

De in 3° beoogde procedure kan worden gevolgd:

a) wanneer de bevoegde erkenningsraad binnen de termijn van drie maanden vanaf de aanvraag niet ingaat op het in 2° beoogde verzoek om een voorstel;

b) wanneer de bevoegde erkenningsraad een voorstel formuleert dat niet beantwoordt aan de doelstellingen vervat in de in 2° beoogde aanvraag; in dat geval moet de verwerping van het voorstel van de erkenningsraad met redenen worden omkleed.

§ 3. Samenstelling en werkingsregelen van de erkenningsraden worden door de Koning bepaald. Iedere raad wordt voorgezeten door een lid van het Verzekeringscomité gekozen uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen; het wordt door de Koning aangewezen op de voordracht van het Verzekeringscomité.

§ 4. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft de lijst aanlegt van de artsen die erkend zijn om als specialist de in artikel 34 bedoelde verstrekkingen te verlenen.

§ 5. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft de lijst aanlegt van de apothekers en de licentiaten in de wetenschappen die erkend zijn om in artikel 34, 3°, bedoelde diagnoseverstrekkingen te verlenen.

Art. 216.

De beperkte Kamers bedoeld in artikel 141, § 2, moeten de zaken blijven behandelen die hen zijn voorgelegd en waar de betrokkene reeds verschenen is vóór de opheffing van artikel 156. Het beroep tegen deze beslissingen moet echter bij de Kamer van beroep bedoeld in artikel 155, § 6, worden ingediend.

De Commissie van beroep bedoeld in artikel 155, derde lid, blijven de beroepen behandelen die hen zijn voorgelegd en waar de appellant of diens raadsman, reeds verschenen is vóór de opheffing van artikel 156. In geval de Raad van State echter één van hun beslissingen vernietigt wordt de zaak naar de Kamer van beroep bedoeld in artikel 155, § 6, verwezen.

De Controlecommissie bedoeld in artikel 142, § 1, blijft de zaken behandelen die haar zijn voorgelegd en waar de betrokkene of diens raadsman, reeds verschenen is vóór de opheffing van artikel 157. Het beroep tegen deze beslissingen moet echter bij de Kamer van beroep bedoeld in artikel 155, § 6, worden ingediend.

De Commissie van beroep bedoeld in artikel 142, § 2, blijft de beroepen behandelen die haar zijn voorgelegd en waar de partijen reeds verschenen zijn vóór de opheffing van artikel 157. Ingeval de Raad van State evenwel één van haar beslissingen, vernietigt, wordt de zaak naar de Kamer van beroep bedoeld in artikel 155, § 6, verwezen.

Art. 216bis.

Opgeheven door de Wet(div)(I) 27-12-06 - B.S. 28-12 - ed. 3

Art. 217.

De Koning bepaalt de wijze waarop de uitgaven die door de verzekeringsinstellingen met toepassing van de de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, in twaalfden worden uitbetaald, worden verdeeld met het oog op de afsluiting van de rekeningen en de toepassing van de financiële verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen. De boekhoudkundige bewijsstukken die deze in twaalfden uitbetaalde bedragen staven, worden gevormd door de betalingsopdrachten die de Minister, of de instantie die hij daarvoor aanwijst, aan de verzekeringsinstellingen bezorgt op basis van de gegevens en de verdeelsleutels die zijn vastgesteld in de de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008. Indien deze betalingsopdrachten door de verzekeringsinstellingen niet worden of niet kunnen worden uitgevoerd binnen de termijn vastgesteld door de Minister die de vaststelling van het budget van financiële middelen onder zijn bevoegdheid heeft, kunnen door de verpleeginrichtingen verwijlinteresten worden aangerekend aan de verzekeringsinstellingen. De hoegrootheid ervan stemt overeen met het rentetarief van de depositofaciliteit van de Europese Centrale bank op de datum dat de betalingstermijn verstrijkt. De last van die verwijlinteresten wordt geboekt op de administratiekosten van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut als de vertraging toe te schrijven is aan het ontoereikend of te laat overmaken van de in artikel 202 bedoelde voorschotten. De Koning kan nadere regelen bepalen met betrekking tot de verwijlinteresten in het geval de reële uitgaven groter zijn dan de begrotingsdoelstelling. In het tegenovergestelde geval worden die verwijlinteresten door de verzekeringsinstellingen vergoed ten laste van het bedrag aan administratiekosten bedoeld in artikel 195. Deze betalingsopdrachten zijn voor betaling onderworpen aan de regels van de betaling volgens de chronologische inschrijving in het inkomend factuurboek, behoudens voor de betalingen uitgevoerd voor de laatste dag van de betalingstermijn.

De bepalingen van artikel 136, § 2, zijn niet van toepassing op de hierboven bedoelde uitgaven.

Art. 217bis.

Tot een door de Koning vast te stellen datum kunnen door het Verzekeringscomité enkel nieuwe overeenkomsten bedoeld in artikel 23, § 3, en § 3bis, worden gesloten en de bestaande overeenkomsten door het Verzekeringscomité slechts worden gewijzigd onder de door Hem vastgestelde voorwaarden.

...

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]