K.B. 8-4-1954: modaliteiten van controle vanwege inspecteurs van financiŽn op sommige instellingen van openbaar nut

Rťsumť: Numac tekst: 1954040804 - p. 3143

Samenvatting: Om praktische redenen, werd dit besluit ingegeven ZONDER VOLLEDIGE HISTORIEK. Alle artikelen werden ingevoerd met dezelfde toepassingdatum d.w.z.: de laatste toepassingsdatum van deze tekst op het ogenblik van de invoering in docleg. Om de echte toepassingsdatum te zien, moet u op het GROENE UITROEPTEKEN klikken. Daar waar geen uitroepteken staat, is de tekst van toepassing 10 dagen na datum van publicatie. Zodra de tekst die in docleg is ingevoerd, wordt gewijzigd of vervangen, vindt u de informatie over de toepassingsdatum ook terug door op de GROENE BOL te klikken.

Note: Tekst bijgewerkt tot: B.S. 11-8-2001 - Wijzigende numac: 2001003363 - p. 27396

Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap door: Besluit van de Vlaamse Regering van 19-01-2001 - B.S. 20-02 - ed. 2

Opgeheven voor de Gemeenschap Brussel-Hoofdstad door: Besluit van de regering Brussel-Hoofdstad van 13-07-2006 - B.S. 21-08 - ed.

FR   NL   Table des MatiŤres du document [Affichage standard]


Koninklijk besluit van 8 april 1954 ter regeling van de modaliteiten van controle vanwege de inspecteurs van financiŽn op sommige instellingen van openbaar nut

Artikel 1.

In de organismen, gerangschikt in categorie A van de wet van 16 maart 1954, worden de voorbereiding en de uitvoering van de begroting door de inspecteurs van financiŽn gevolgd in overeenstemming met de bestaande controlediensten. Zij maken de Ministers, aan wier gezag de organismen onderworpen zijn, opmerkzaam op elk feit, dat de begrotingsprogramma's kan wijzigen of de uitvoering ervan kan belemmeren.

Op administratief, budgettair en financieel gebied dragen de inspecteurs van financiŽn bij tot de studie van de maatregelen ter verwezenlijking van besparingen, ter vermeerdering van de middelen en ter verbetering van de inrichting der diensten. Zij maken aan de Ministers hun suggesties hierover bekend.

Art. 2.

De inspecteurs van financiŽn oefenen hun toezicht uit op stukken en ter plaatse. Zij mogen alle vergaderingen van alle beheers- of raadgevende organen bijwonen met raadgevende stem. Zij worden ertoe uitgenodigd en ontvangen vooraf mededeling van alle documenten met betrekking tot de problemen ingeschreven op de dagorde van deze vergaderingen.

Zij hebben toegang tot alle dossiers en alle archieven van het organisme en ontvangen van de diensten alle inlichtingen die zij vragen.

Art. 3.

De inspecteurs van FinanciŽn kunnen niet deelnemen aan de leiding en het beheer van de diensten die zij moeten controleren, noch bevelen geven om een verrichting te beletten of te schorsen.

Art. 4.

Worden aan het advies van de inspecteurs van financiŽn voorgelegd vůůr de tussenkomst van de Minister waarvan het organisme afhangt:

de voorstellen waarvan sprake onder artikelen 3, 5, 11 en 12 van de wet van 16 maart 1954 en betrekking hebbende op:

a) de begrotingen;

b) de overdrachten en overschrijdingen van limitatieve kredieten;

c) het kader en het statuut van het personeel;

d) de leningen.

de voorstellen die, krachtens de algemene of bijzondere wetten en reglementen welke de organismen beheersen, de tussenkomst vergen van de Minister van FinanciŽn of van de Minister die het Openbaar Ambt in zijn bevoegdheid heeft.

Art. 5.

Worden eveneens aan het advies van de inspecteurs van financiŽn onderworpen, vůůr de beslissing van de Minister aan wiens gezag de organismen onderworpen zijn of van zijn afgevaardigden:

de ontwerpen van wet in voorbereiding, van amendementen van ministerieel initiatief, van koninklijke of ministeriŽle besluiten, die bepalingen behelzen waarvan de toepassing de ontvangsten of de uitgaven van de organismen kan beÔnvloeden; deze ontwerpen worden hun voorgelegd, vergezeld van een nauwkeurige raming van de begrotingsweerslag;

inzake uitgaven, de voorstellen betreffende:

a) de ontwerpen van reglementen die bepalingen behelzen waarvan de toepassing de begroting kan bezwaren,

b) de af te sluiten contracten en overeenkomsten voor werken, leveranties en dienstprestaties waarvan het bedrag 25.000,00 EUR overschrijdt en die bij aanbesteding of offerte-aanvraag zullen worden afgesloten.

Indien wordt voorgesteld een onderhandse overeenkomst te sluiten indien het een afrekening betreft van een lopende overeenkomst of contract worden de voorstellen aan het advies van de inspecteurs van financiŽn voorgelegd indien het bedrag de 5.500,00 EUR overtreft,

c) het verlenen van subsidies, toelagen, vergoedingen of vrijgevigheden, met uitzondering van die welke verleend worden in toepassing van de wetten, besluiten of reglementen die er nauwkeurig de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van voorzien;

inzake ontvangsten, de voorstellen betreffende:

a) de tarieven en andere reglementaire voorwaarden,

b) de conventies en overeenkomsten waarvan het bedrag 25.000 EUR overschrijdt;

de voorstellen betreffende het beleggen der beschikbare gelden;

alle voorstellen betreffende de andere aangelegenheden bepaald, na gemeenschappelijk overleg, door de Minister aan wiens gezag de organismen onderworpen zijn en de Minister van FinanciŽn;

de voormelde bedragen kunnen worden verhoogd bij gemeenschappelijk overleg, tussen de Minister aan wiens gezag de organismen onderworpen zijn en de Minister van FinanciŽn.

Art. 6.

Wanneer de Minister aan wiens gezag het organisme onderworpen is, niet kan akkoord gaan met het advies van de inspecteur van financiŽn betreffende een voorstel vermeld in artikel 5, maakt hij het voorstel aanhangig bij de Minister van FinanciŽn, die, indien hij zijn akkoord met dit voorstel niet kan betuigen, het voorlegt aan het Ministerieel comitť voor begroting.

Art. 7.

De opmerkingen van het Rekenhof betreffende de organismen worden regelmatig medegedeeld aan de inspecteurs van financiŽn. De ontwerpen van antwoord op deze opmerkingen worden, met de eventuele beschouwingen waartoe ze aanleiding geven, onderworpen aan de Minister.

Art. 8.

De periodieke toestandsopgaven, de verslagen en de rekeningen, waarop artikelen 6 en 13 van de wet van 16 maart 1954 betrekking hebben, worden medegedeeld aan de bij deze organismen geaccrediteerde inspecteurs van financiŽn. Deze inspecteurs sturen hun eventuele beschouwingen over deze bescheiden naar de betrokken ministers.

Art. 9.

De inspecteurs van financiŽn maken aan de Minister van FinanciŽn, en voor de problemen die hem aanbelangen, aan de Minister die het Openbaar Ambt in zijn bevoegdheid heeft, een afschrift over van de verslagen die ze zenden aan de Minister aan wiens gezag het organisme onderworpen is.

Art. 10.

Onze Minister van FinanciŽn, Onze Minister van Economische Zaken en Middenstand, Onze Minister van Verkeerswezen en Onze Minister van Landsverdediging worden, ieder wat hem betreft, met de uitvoering van het onderhavig besluit belast.

FR   NL   Table des MatiŤres du document [Affichage standard]