Publiť le 24/03/1954
   

FR   NL  

Wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut

Art. 10.


Art. 11.
25/04/2004 ß 1. De Koning bepaalt het statuut van het personeel van de instellingen opgesomd in artikel 1, op voorstel van de minister of de ministers onder wie zij ressorteren. Het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort is vereist voor de vaststelling van het geldelijk statuut.
25/04/2004 Voor de instellingen van openbaar nut waarvan het personeel onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut is, in afwijking van het eerste lid, de Minister die de Ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft als enige bevoegd om aan de Koning voor te stellen het genoemde besluit te wijzigen of aan te vullen.
25/04/2004 Voor de in het tweede lid bedoelde instellingen van openbaar nut zijn, in afwijking van het eerste lid, de Minister die de Ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort als enige bevoegd om aan de Koning voor te stellen het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut te wijzigen of aan te vullen.
25/04/2004 ß 2. Elke instelling opgesomd in artikel 1, krijgt, naargelang het geval, een personeelsformatie, een personeelsplan of eender welke gelijkwaardige maatregel die als doel heeft de behoeften inzake personeel van de instelling te bepalen.
25/04/2004 Voor de instellingen bedoeld in ß 1, tweede lid, wordt een personeelsplan opgesteld, dat bepaald wordt:
25/04/2004 door de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert, mits de inspecteur van FinanciŽn een gunstig advies heeft gegeven, indien de instelling behoort tot categorie A;
25/04/2004 door het beheersorgaan van de instelling, mits de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van FinanciŽn, naargelang het geval, een gunstig advies heeft gegeven indien de instelling behoort tot de categorieŽn B, C of D.
25/04/2004 Bij gebrek aan een gunstig advies van de inspecteur van FinanciŽn, van de regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de minister van FinanciŽn, verzoeken de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert het akkoord van de ministers tot wiens bevoegdheid de Begroting en Ambtenarenzaken behoren. Bij gebrek aan instemming van ťťn van deze laatsten, kunnen zij het personeelsplan aan de Ministerraad voorleggen.
25/04/2004 Voor de instellingen die niet bedoeld zijn in ß 1, tweede lid, wordt een personeelsformatie, een personeelsplan of elke gelijkwaardige maatregel opgesteld, dat bepaald wordt:
25/04/2004 door de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert, indien het gaat om een instelling van categorie A, mits de inspecteur van FinanciŽn een gunstig advies heeft gegeven;
25/04/2004 door het beheersorgaan van de instelling die ressorteert onder de categorieŽn B, C of D, mits de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van FinanciŽn, naargelang het geval, een gunstig advies heeft gegeven.
25/04/2004 Bij gebrek aan een gunstig advies van de inspecteur van FinanciŽn, de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van FinanciŽn, wordt een beroep ingesteld bij de minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort. Indien er geen akkoord is van deze laatste kunnen de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert de personeelsformatie, het personeelsplan of elke gelijkwaardige maatregel aan de Ministerraad voorleggen.
25/04/2004 ß 3. De aan deze wet onderworpen organismen zijn gehouden niet alleen aan de Minister onder wie de instelling ressorteert, maar ook aan de Minister van FinanciŽn en aan de Minister, die het Openbaar Ambt in zijn bevoegdheid heeft, alle door een van hen in verband met de administratieve en geldelijke toestand van hun personeel gevraagde inlichtingen rechtstreeks te verstrekken. Wanneer de inlichtingen worden gevraagd door de Minister van FinanciŽn of door de Minister die het Openbaar Ambt in zijn bevoegdheid heeft, verstrekt de instelling ze terzelfdertijd aan de Minister onder wie ze ressorteert en aan de Minister die er om vraagt.
25/04/2004 ß 4. De bepalingen van ßß 1 tot 3 van onderhavig artikel zijn niet toepasselijk op de instellingen van de categorie C, die een financiŽle activiteit uitoefenen.
25/04/2004 Het kader en het statuut van het personeel van deze organismen worden vastgesteld door de beheersorganen en goedgekeurd door de Minister waaronder zij ressorteren en door de Minister die het Openbaar Krediet in zijn bevoegdheid heeft.
25/04/2004 Deze organismen verstrekken aan voornoemde Ministers alle inlichtingen met betrekking tot de administratieve en geldelijke toestand van hun personeel, die door een dezer Ministers gevraagd worden.
25/04/2004 ß 5. Opgeheven bij: Wet 17-6-1991 - B.S. 9-7.

Art. 11bis.

FR   NL   [Affichage pour impression]