d'application à partir du 29/04/2019
   

FR   NL  

Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, § 1, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 15.


Toelating om tijdens de ongeschiktheid een activiteit te hervatten

Art. 16.

De gerechtigde die uitkeringen ontvangt, kan overeenkomstig artikel 230 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, van de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling de toestemming verkrijgen om een met zijn gezondheidstoestand verenigbare activiteit te hervatten.

Opgeheven door: Verord. 19-9-12 - B.S. 17-5-13 - ed. 2 - art. 1 (vroeger 2de lid)

Opgeheven door Verord. 19-9-12 - B.S. 17-5-13 - ed. 2 - art. 1 (vroeger 3de lid)

De adviserend arts moet de graad van ongeschiktheid van die gerechtigde controleren op grond van een geneeskundig onderzoek dat ten minste eens om de zes maanden wordt verricht, tenzij de elementen aanwezig in het medisch dossier een onderzoek op een latere datum verantwoorden.

Deze bepaling geldt zowel voor het tijdvak van primaire ongeschiktheid als voor het tijdvak van invaliditeit.

De door de gerechtigde uitgeoefende beroepsactiviteit in het kader van een revalidatie goedgekeurd door het College van geneesheren-directeurs of in het kader van een beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit wordt gelijkgesteld met een door de adviserend arts toegelaten arbeid.

Met arbeid, verricht met toestemming van de adviserend arts, wordt eveneens gelijkgesteld de beroepsactiviteit die de gerechtigde uitoefent in het raam van artikel 23 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.


Einde van de ongeschiktheid

Art. 17.

FR   NL   [Affichage standard]