d'application ŕ partir du 10/08/1996
   

FR   NL  

Koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Art. 275.


Afdeling III.- Bijdragebescheiden en documenten aan de hand waarvan de hoedanigheid van gerechtigde wordt vastgesteld
Art. 276.
10/08/1996 § 1. Worden voor de toepassing van de gecoördineerde wet als bijdragebescheiden beschouwd:
10/08/1996 1. de bijdragebon en het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
10/08/1996 2. de bijdragebon «arbeidsongeval»;
10/08/1996 3. de bijdragebon «beroepsziekte»;
10/08/1996 4. het bewijs van werkloosheid;
10/08/1996 5. het bewijs van huishoudelijke arbeid;
10/08/1996 6. de in artikel 248 bedoelde bewijsstukken op voorwaarde dat de bijdrage met betrekking tot de periode van voortgezette verzekering betaald is;
10/08/1996 7. het bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering;
10/08/1996 De in artikel 282 bedoelde bewijzen van sociaal verzekerde milicien en van sociaal verzekerde gewetensbezwaarde worden met een bijdragebescheid gelijkgesteld.
10/08/1996 De in artikel 282 bedoelde verklaring dat betrokkene een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag en de verklaring dat betrokkene een volle wees is die recht heeft op de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt gelijkgesteld met een bijdragebescheid.
10/08/1996
  -31/12/1997
Dit geldt tevens voor de in artikel 282 bedoelde verklaring waarop de behandelende geneesheer de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt voor de in artikel 32, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde alsmede voor het in artikel 129, § 1, bedoelde document met betrekking tot de wachttijd.
10/08/1996 § 2. De hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, , en 6° van de gecoördineerde wet wordt vastgesteld aan de hand van de in § 1 bedoelde bijdragebescheiden.
10/08/1996 De in artikel 32, eerste lid, 7°, en 9° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een bewijs van rechthebbende op de in die bepalingen bedoelde voordelen. Het bewijs wordt opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van die voordelen.
10/08/1996
  -31/12/1997
De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, , 12° en 16° van de gecoördineerde wet verkrijgen, en in voorkomend geval in die hoedanigheid bijdragebescheiden ontvangen die jaarlijks worden opgemaakt, alsmede de personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet verkrijgen, doen van hun hoedanigheid van gerechtigde blijken door overlegging van één van de volgende documenten:
10/08/1996 - voor de in artikel 32, eerste lid, 1°, bedoelde gerechtigden alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, een verklaring van de werkgever dat de gerechtigde een werknemer is, onderworpen aan één of beide sectoren van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of een werknemer onderworpen aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers of ermee gelijkgestelden;
10/08/1996 - voor de in artikel 32, eerste lid, 3°, bedoelde gerechtigden, alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, een verklaring uitgaande van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, dat de gerechtigde zich in gecontroleerde werkloosheid bevindt;
10/08/1996
  -31/12/1997
- voor de in artikel 32, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, een uittreksel van de overlijdensakte of een attest dat betrokkene gerechtigd is op een overlevingspensioen opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van het overlevingspensioen; voor de hier bedoelde gerechtigde die zich in die hoedanigheid bij een andere verzekeringsinstelling aansluit, een verklaring van de vroegere verzekeringsinstelling omtrent de laatste hoedanigheid van de overleden echtgenoot of echtgenote;
10/08/1996
  -31/12/1997
- voor de in artikel 32, eerste lid, 16°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, een verklaring afgeleverd door de instantie die de kinderbijslag uitbetaalt, dat betrokkene een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag of een attest afgeleverd door het Ministerie van Sociale zaken dat betrokkene een minder-valide volle wees is die in het genot is van een inkomensvervangende tegemoetkoming als bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.


Art. 277.

FR   NL   [Affichage pour impression]