d'application à partir du 12/04/2013
   

FR   NL  

Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, § 1, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 15.


Toelating om tijdens de ongeschiktheid een activiteit te hervatten
Art. 16.
01/12/1997
  -28/04/2019
De gerechtigde die uitkeringen ontvangt, kan overeenkomstig artikel 230 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, van de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling de toestemming verkrijgen om een met zijn gezondheidstoestand verenigbare activiteit te hervatten.
P 12/04/2013 Opgeheven door: Verord. 19-9-12 - B.S. 17-5-13 - ed. 2 - art. 1 (vroeger 2de lid)
P 12/04/2013 Opgeheven door Verord. 19-9-12 - B.S. 17-5-13 - ed. 2 - art. 1 (vroeger 3de lid)
01/12/1997
  -28/04/2019
De adviserend geneesheer moet de graad van ongeschiktheid van die gerechtigde controleren op grond van een geneeskundig onderzoek dat ten minste eens om de zes maanden wordt verricht, tenzij de elementen aanwezig in het medisch dossier een onderzoek op een latere datum verantwoorden.
01/12/1997 Deze bepaling geldt zowel voor het tijdvak van primaire ongeschiktheid als voor het tijdvak van invaliditeit.
01/07/2009
  -28/04/2019
De door de gerechtigde uitgeoefende beroepsactiviteit in het kader van een revalidatie goedgekeurd door het College van geneesheren-directeurs of in het kader van een beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit wordt gelijkgesteld met een door de adviserend geneesheer toegelaten arbeid.
01/12/1997
  -28/04/2019
Met arbeid, verricht met toestemming van de adviserend geneesheer, wordt eveneens gelijkgesteld de beroepsactiviteit die de gerechtigde uitoefent in het raam van artikel 23 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.


Einde van de ongeschiktheid

Art. 17.

FR   NL   [Affichage pour impression]