Publié le 14/02/2020
   

FR   NL  

Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, § 1, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 3.


Art. 4.

§ 1. Wanneer de gerechtigde geacht wordt de in artikel 100 van de gecoördineerde wet bedoelde ongeschiktheidsgraad te bereiken, is hij vrijgesteld van de formaliteiten voorzien in artikel 2 voor de duur van de hierna omschreven tijdvakken:

a) het tijdvak van opneming in een verplegingsinrichting, erkend door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, of in een militair hospitaal;

b) de in artikel 239, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 bepaalde tijdvakken tijdens welke het de gerechtigde verboden is naar zijn werk te gaan omdat hij in contact is gekomen met iemand die is aangetast door één van de in datzelfde artikel genoemde besmettelijke ziekten.

De vrijstelling van aangifte bedoeld onder a) en b) wordt verleend op grond van elk stuk dat die vrijstelling wettigt.

§ 2. De termijnen voor het indienen van de in het artikel 2 bedoelde getuigschriften worden verlengd tot de tweede kalenderdag volgend op het einde van een van de in § 1 omschreven tijdvakken, indien dit tijdvak aanvangt tijdens de termijnen voorzien in artikel 2.

Voor de toepassing van het vorige lid wordt het uiterlijk op de laatste dag van de toepasselijke termijn ondertekende geneeskundige getuigschrift of de door het werkloosheidsbureau uitgereikte kennisgeving van arbeidsongeschiktheid geacht tijdig via de post aan de adviserend arts te zijn verzonden als de poststempel uiterlijk de vijfde werkdag na het verstrijken van de toepasselijke termijn is aangebracht.


Spontane aangifte van ongeschiktheid

Art. 5.

FR   NL   [Affichage standard]