Publié le 26/09/2018
   

FR   NL  

Koninklijk besluit van 20 december 2006 tot invoering van de toekenningsvoorwaarden van een adoptieuitkering ten gunste van de zelfstandigen

Art. 2.


Art. 3.
01/01/2019 Het bedrag van de adoptie-uitkeringen ten gevolge van de adoptie van een minderjarig kind wordt vastgesteld in functie van een periode van maximaal zes weken ongeacht de leeftijd van het kind. Het adoptieverlof van zes weken per adoptieouder wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of voor de beide adoptieouders samen:
01/01/2019 met één week vanaf 1 januari 2019;
01/01/2019 met twee weken vanaf uiterlijk 1 januari 2021;
01/01/2019 met drie weken vanaf uiterlijk 1 januari 2023;
01/01/2019 met vier weken vanaf uiterlijk 1 januari 2025;
01/01/2019 met vijf weken vanaf uiterlijke 1 januari 2027.
01/01/2019 Voor de toepassing van de vorige zin, gaat het recht op deze bijkomende weken in voor de adoptieverloven die vanaf de inwerkingtreding van de betrokken verlenging aanvangen. In geval van twee adoptieouders worden deze bijkomende weken onderling tussen hen verdeeld waarbij er, in voorkomend geval, rekening wordt gehouden met het recht op adoptieverlof van de andere adoptieouders bedoeld in artikel 30ter, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Tijdens deze periode mag de zelfstandige, ten persoonlijke titel, geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen. Indien de zelfstandige ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken van deze periode op te nemen, dient deze ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
01/02/2007 De maximumduur van deze periode wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of door een aandoening die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
01/01/2019 Deze periode vangt aan binnen twee maanden volgend op de daadwerkelijke opvang van het kind in het gezin van de zelfstandige in het kader van een adoptie. In het kader van een interlandelijke adoptie kan de uitkering bedoeld in artikel 2 de periode bestrijken die voorafgaat aan de daadwerkelijke opvang van het geadopteerde kind in België, voor zover deze voorafgaande periode vier weken niet overschrijdt en ze wordt besteed aan de voorbereiding van de daadwerkelijke opvang van het kind. In dat geval wordt de uitkering in België uitbetaald. De maximumduur van deze periode wordt met twee per adoptieouder verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.

Art. 4.

FR   NL   [Affichage pour impression]