Verord. uitkeringen van 16-4-1997

Résumé: De hierna vermelde bijlagen en artikelen kan u terugvinden in de tabel met bijlagen die zich onder de inhoudstafel bevindt: bijlagen 1 tot 11 en artikelen 23/1 en 24/1

Note: Met volledige historiek

Tekst bijgewerkt tot het B.S. 12-7-2019

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]


Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoÖrdineerd op 14 juli 1994

...

HOOFDSTUK I.- BEPALINGEN VAN TOEPASSING OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

Afdeling I.- Carenstijd

Artikel 1.

Opgeheven door: Verord. 25-2-15 - B.S. 11-5 - art. 1

Afdeling II.- Bepalingen die van toepassing zijn als er geen erkende dienst voor geneeskundige controle is

Art. 2.

Om recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te verkrijgen, moet de gerechtigde, als bedoeld in artikel 86, § 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, hierna de gecoördineerde wet genoemd, zijn ongeschiktheid doen vaststellen onder de hierna bepaalde voorwaarden.

Uiterlijk de tweede kalenderdag na de aanvang van zijn ongeschiktheid moet de gerechtigde over de post aan de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling een geneeskundig getuigschrift zenden dat is ingevuld, gedateerd en ondertekend en dat de redenen van zijn ongeschiktheid vermeldt, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of hem dat getuigschrift tegen ontvangstbewijs afgeven. Dat getuigschrift moet de gegevens vermelden die voorkomen op het model in bijlage I.

De gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid gecontroleerd werkloze is, moet binnen de hiervoren vastgestelde termijn, hetzij de door het werkloosheidsbureau uitgereikte kennisgeving van arbeidsongeschiktheid over de post aan de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling zenden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of hem die kennisgeving afgeven tegen ontvangstbewijs, hetzij de in het vorige lid bepaalde formaliteiten vervullen.

De gerechtigde die hervalt in de zin van de artikelen 87 en 93 van de gecoördineerde wet moet van zijn arbeidsongeschiktheid aangifte doen binnen de termijn voorzien in het tweede lid.

Voor de gerechtigde die, bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, verbonden is door een arbeidsovereenkomst voor arbeider of bediende, wordt de termijn evenwel verlengd tot de veertiende, respectievelijk de achtentwintigste kalenderdag te rekenen vanaf de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. In geval van een herval wordt de termijn van twee dagen verlengd ten belope van het saldo van veertien of achtentwintig kalenderdagen.

Art. 3.

De gerechtigde van wiens arbeidsongeschiktheid aangifte is gedaan in het kader van de wetgeving op de arbeidsongevallen, is vrijgesteld van de in artikel 2 bepaalde verplichtingen.

Art. 4.

§ 1. Wanneer de gerechtigde geacht wordt de in artikel 100 van de gecoördineerde wet bedoelde ongeschiktheidsgraad te bereiken, is hij vrijgesteld van de formaliteiten voorzien in artikel 2 voor de duur van de hierna omschreven tijdvakken:

a) het tijdvak van opneming in een verplegingsinrichting, erkend door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, of in een militair hospitaal;

b) de in artikel 239, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 bepaalde tijdvakken tijdens welke het de gerechtigde verboden is naar zijn werk te gaan omdat hij in contact is gekomen met iemand die is aangetast door één van de in datzelfde artikel genoemde besmettelijke ziekten.

De vrijstelling van aangifte bedoeld onder a) en b) wordt verleend op grond van elk stuk dat die vrijstelling wettigt.

§ 2. De termijnen voor het indienen van de in het artikel 2 bedoelde getuigschriften worden verlengd tot de tweede kalenderdag volgend op het einde van een van de in § 1 omschreven tijdvakken, indien dit tijdvak aanvangt tijdens de termijnen voorzien in artikel 2.

Spontane aangifte van ongeschiktheid

Art. 5.

Wanneer een gerechtigde in de loop van zes opeenvolgende maanden, gerekend van datum tot datum, viermaal uitkeringen van de verplichte verzekering heeft genoten, geeft de adviserend arts van de verzekeringsinstelling of in bijkomende orde, de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, hierna het Instituut genoemd, hem ervan kennis dat hij, bij het optreden van een nieuwe ongeschiktheid, de eerste dag van die ongeschiktheid een formulier "verklaring van arbeidsongeschiktheid", conform het model in bijlage II, moet invullen, dateren en ondertekenen en het dezelfde dag over de post aan de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling moet zenden waarbij de poststempel bewijskracht heeft of hem dit tegen ontvangstbewijs moet afgeven, of dat hij anders binnen dezelfde termijn een geneeskundig getuigschrift moet zenden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of afgeven tegen ontvangstbewijs, dat de redenen van die ongeschiktheid vermeldt.

De beslissing van de adviserend arts of van de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut geldt voor een tijdvak van één jaar, maar kan van jaar tot jaar door hem worden vernieuwd.

De adviserend arts mag evenwel van de voorgaande bepalingen afwijken in de hierna vermelde gevallen:

1. wanneer hij vaststelt dat de herhaalde arbeidsongeschiktheden geneeskundig verantwoord zijn;

2. wanneer hij beschouwt dat het onder spontane controle plaatsen niet of niet meer noodzakelijk is;

3. wanneer hij van oordeel is dat de hiervoren bedoelde procedure dient te worden gevolgd vóór er voor de vierde maal uitkeringen worden verleend.

Het geneeskundig dossier moet de verantwoording van de afwijkende beslissing van de adviserend arts bevatten.

Verplichtingen van de gerechtigde

Art. 6.

De bewijslast inzake toezending of afgifte aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling van één van de bescheiden, bedoeld in de artikelen 2, 4 en 5, rust op de gerechtigde.

Art. 7.

Vanaf de toezending of de afgifte aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, van de bescheiden bedoeld in artikel 5, of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, moet de gerechtigde op het adres dat op die bescheiden is opgegeven, ter beschikking blijven van de diensten van de verzekeringsinstelling en van het Instituut.

Hij mag zich pas verplaatsen na ontvangst van de in artikel 11 bedoelde kennisgeving van de beslissing van de adviserend arts.

Aanvangsdatum van de ongeschiktheid

Art. 8.

De aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door de adviserend arts die zijn beslissing neemt, rekening houdend met alle gegevens in zijn bezit, inzonderheid met:

- hetzij de datum die door de behandelend arts op het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, of door de werkgever in het elektronisch bericht bedoeld in artikel 10 is vermeld;

- hetzij de datum die is vermeld op de in artikel 63, § 2 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde kennisgeving van de wetsverzekeraar;

- hetzij de datum die door de gerechtigde is vermeld op de verklaring van arbeidsongeschiktheid.

De aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid mag door de adviserend arts evenwel niet worden betwist in de behoorlijk vastgestelde gevallen die zijn bedoeld in artikel 4 of als de ongeschiktheid is vastgesteld met een door het werkloosheidsbureau uitgereikte kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, alsmede in het geval van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving van de wetsverzekeraar.

Niet tijdige aangifte

Art. 9.

Wanneer de gerechtigde de in de artikelen 2, 4, § 2, en 5, bepaalde formaliteiten niet tijdig heeft vervuld, worden de uitkeringen volledig toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag van toezending van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, van de verklaring van arbeidsongeschiktheid of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of vanaf de eerste werkdag die volgt op die waarop de gerechtigde die bescheiden heeft afgegeven aan de adviserend arts.

De uitkeringen voor de periode die voorafgaat aan de eerste werkdag, als bedoeld in het eerste lid, worden aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger uitbetaald, na een vermindering van 10 pct. die op het dagbedrag van de uitkeringen verschuldigd voor die periode wordt toegepast.

In behartigenswaardige situaties kan de in het vorige lid bepaalde sanctie door de verzekeringsinstelling worden opgeheven, op eensluidend advies van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen van het Instituut of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, voor zover het bedrag van de sanctie minstens 25 EUR bedraagt.

Onder behartigenswaardige situaties moet worden verstaan de situaties waarin de gerechtigde zijn arbeidsongeschiktheid niet kon aangeven ten gevolge van overmacht, evenals de situaties waarin de sociale en financiële toestand van het gezin van de gerechtigde als moeilijk kan worden beschouwd. De behartigenswaardigheid wordt in laatstgenoemde situatie erkend wanneer het inkomen van het gezin van de gerechtigde lager is dan het minimumbedrag, bedoeld in artikel 7 van de verordening van 17 maart 1999 tot uitvoering van artikel 22, § 2, a), van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.

De opheffing van de vermindering van 10 pct. kan evenwel niet voor een tweede maal toegekend worden op basis van de sociale en financiële situatie van het gezin van de gerechtigde tijdens de periode van drie jaar die volgt op het einde van de arbeidsongeschiktheid waarvoor een eerste opheffing van sanctie werd verleend.

Inlichtingsblad en verklaring betreffende de in het kader van de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gestelde voorwaarden van verzekering

Art. 10.

§ 1. Zodra de verzekeringsinstelling op de hoogte is van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid vraagt zij bij de werkgever de gegevens op die toelaten na te gaan of de voorwaarden nodig voor de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn vervuld, en dit via een elektronisch bericht waarvan de inhoud door het Beheerscomité is goedgekeurd en/of bij de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen via een elektronisch bericht waarvan de inhoud door het Beheerscomité is goedgekeurd.

Opgeheven door: verord. 3-7-19 - B.S. 12-7 - art. 2 (vroeger tweede lid)

Opgeheven door: Verord. 3-7-19 - B.S. 12-7 - art. 2 (vroeger derde lid)

De werkgever stuurt het bericht bedoeld in het eerste lid langs elektronische weg, volgens de voorwaarden bepaald bij de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.

De werkgever en de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen sturen de gegevens door op vraag van de verzekeringsinstelling; de werkgever kan de gegevens echter ook op eigen initiatief doorsturen.

De uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen stuurt de gegevens door zodra zij de vraag van de verzekeringsinstelling heeft ontvangen.

De werkgever stuurt de gegevens van het risico zo snel mogelijk door en uiterlijk de eerste werkdag van de maand die volgt op de maand waarin de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen.

Indien aanvullende gegevens worden gevraagd door de verzekeringsinstelling, maakt de werkgever deze gegevens over zodra hij deze aanvraag heeft ontvangen.

Indien de werkgever voor de elektronische drager heeft gekozen, wordt de aanvraag hem op dezelfde wijze bezorgd. Zo niet wordt de aanvraag hem met de post toegestuurd. Indien de verzekeringsinstelling de identiteit van de werkgever niet kent, stuurt zij de aanvraag naar de gerechtigde, die haar daarna aan de werkgever bezorgt.

§ 2. De verzekeringsinstelling vraagt evenwel enkel om mededeling van de gegevens die moeten toelaten na te gaan of voldaan is aan de verzekeringsvoorwaarden voor de toekenning van de uitkeringen, indien die gegevens haar nog niet werden overgemaakt.

Het bewijs dat vereist is voor de toepassing van de artikelen 116/1 tot 116/4 en 128 tot 131 van de gecoördineerde wet, kan volgen uit de loon- en arbeidstijdgegevens die voorkomen in de kwartaalaangiften bestemd voor de Rijksdienst voor sociale zekerheid, of uit de gegevens van het risico of de bijkomende gegevens die de werkgever of de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen aan de hand van de hierboven bedoelde elektronische berichten hebben meegedeeld.

Dit bewijs kan ook volgen uit de gegevens die elektronisch door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of de debiteur van de arbeidsongevallen- of beroepsziektenvergoedingen naar het netwerk van de sociale zekerheid worden doorgestuurd of uit de gegevens vermeld in de verklaring betreffende de in het kader van de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gestelde voorwaarden van verzekering.

§ 3. Zodra zij op de hoogte is van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, bezorgt de verzekeringsinstelling de gerechtigde het luik gerechtigde van het inlichtingsblad, alsook een bewijs van arbeidshervatting conform het model in bijlage VIII. De gerechtigde stuurt het inlichtingsblad, dat hij naar behoren heeft ingevuld en ondertekend, zo snel mogelijk terug naar de verzekeringsinstelling.

Geneeskundige beslissingen in geval van aanvang of van voortduren van een arbeidsongeschiktheid

Art. 11.

§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 177 en 190 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 geeft de adviserend arts aan de gerechtigde kennis van zijn beslissing, uiterlijk de vijfde kalenderdag na de dag van ontvangst van één van de in de artikelen 2, 5 en 13, § 1, c) en d), bedoelde bescheiden.

Dezelfde termijn moet worden nageleefd in het geval van de in artikel 63, § 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde kennisgeving.

Die termijn wordt evenwel op zeven kalenderdagen gebracht, hetzij bij niet tijdige aangifte van de arbeidsongeschiktheid, hetzij in geval van tussenkomst van de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle op verzoek van de adviserend arts.

De kennisgeving wordt gedaan met een formulier conform het model in bijlage V-1 of VI, naargelang het gaat om een beslissing waarbij de staat van arbeidsongeschiktheid wordt erkend of niet wordt erkend. De beslissing tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid vermeldt, in voorkomend geval, de plaats waar en de datum en het uur waarop de gerechtigde zich voor een onderzoek moet aanmelden.

De adviserend arts zendt terzelfdertijd een afschrift van de kennisgeving aan de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling door toezending van de naar behoren ingevulde bijlage V-2.

Als de adviserend arts beslist de betrokkene te laten controleren door een arts-inspecteur, geeft deze in voorkomend geval onmiddellijk kennis van zijn beslissing aan de betrokkene en aan de adviserend arts.

§ 2. Indien de gerechtigde die valt onder het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en nr. 987/2009 van 16 september 2009 tot vaststelling van haar wijze van toepassing, bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid niet in België, maar in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland verblijft of woont, en aangifte heeft gedaan van zijn arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de bepalingen van artikel 27 van de voormelde Verordening (EG) nr. 987/2009, brengt de adviserend arts zijn beslissing ter kennis met een formulier conform het model in bijlage V-1bis of VIbis, naargelang het gaat om een beslissing waarbij de staat van arbeidsongeschiktheid wordt erkend of niet wordt erkend, en dit zolang hij zijn verblijf- of woonplaats niet opnieuw naar België heeft overgebracht.

De adviserend arts zendt terzelfdertijd een afschrift van de kennisgeving aan de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling door toezending van de naar behoren ingevulde bijlage V-2bis.

De bepalingen van § 1 zijn van toepassing, onder voorbehoud van de wijzigingen aangebracht door de huidige paragraaf.

Afdeling III.- Bepalingen die van toepassing zijn wanneer er een erkende dienst voor geneeskundige controle is

Aangifte van ongeschiktheid

Art. 12.

In afwijking van artikel 2 moet de gerechtigde wiens werkgever een beroep doet op een erkende dienst voor geneeskundige controle als bedoeld in artikel 91, eerste lid van de gecoördineerde wet, zijn ongeschiktheid alleen aangeven bij die dienst die dan de formaliteiten vervult omschreven in artikel 13.

Geneeskundige beslissingen

Art. 13.

§ 1. De arts van de erkende controledienst spreekt zich uit over de ongeschiktheden die bij hem worden aangegeven. Hij gebruikt formulieren die tenminste de gegevens bevatten die voorkomen op de bijlagen IX en X, volgens de volgende modaliteiten:

a) weigert de arts van de erkende controledienst de staat van ongeschiktheid van de betrokkene te erkennen, dan geeft hij aan de gerechtigde kennis van zijn beslissing;

b) erkent hij het bestaan van de staat van arbeidsongeschiktheid, doch stelt hij er een einde aan op een datum die in het tijdvak valt waarover de gerechtigde krachtens de wettelijke of statutaire bepalingen ten laste van de werkgever aanspraak heeft op de betaling van het gewaarborgd loon tijdens de eerste veertien of dertig dagen van de arbeidsongeschiktheid, dan geeft hij daarvan kennis aan de betrokkene;

c) erkent de arts van de erkende controledienst het bestaan van de staat van arbeidsongeschiktheid, doch stelt hij er een einde aan op een bepaalde datum die buiten het in littera b), bedoelde tijdvak valt, dan wordt van de beslissing onmiddellijk kennis gegeven aan de gerechtigde. De arts van de erkende controledienst zendt aan de adviserend arts onverwijld een exemplaar van die kennisgeving, alsook het in bijlage X bedoelde formulier.

Indien de adviserend arts van de verzekeringsinstelling akkoord gaat met de beslissing van de arts van de erkende controledienst, neemt hij akte van die beslissing en zendt hij onverwijld een afschrift van de kennisgeving aan de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle en aan de administratieve Dienst van de verzekeringsinstelling.

Indien de adviserend arts van de verzekeringsinstelling niet akkoord gaat, neemt hij een beslissing die de beslissing van de arts van de erkende controledienst ongedaan maakt en geeft hij de gerechtigde daarvan onmiddellijk kennis overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.

Een afschrift van die kennisgeving wordt onverwijld gestuurd aan de erkende controledienst, aan de administratieve Dienst van de verzekeringsinstelling en aan de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle.

d) erkent de arts van de erkende controledienst het bestaan van de staat van ongeschiktheid, zonder de datum van de arbeidshervatting vast te stellen, dan betekent hij dit aan de gerechtigde bij middel van het in bijlage IX bedoelde formulier. Bovendien geeft de arts van de erkende controledienst met het onder bijlage X bedoelde document onmiddellijk en uiterlijk de eerste vergoedbare dag door de uitkeringsverzekering, kennis van de geneeskundige vaststellingen en besluiten aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling.

In dat geval handelt de adviserend arts van de verzekeringsinstelling overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.

e) ingeval een ongeschiktheid of een herval optreedt die geen aanleiding geeft tot tussenkomst van de werkgever krachtens de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, geeft de arts van de erkende controledienst onmiddellijk kennis van zijn beslissing aan de gerechtigde en zendt hij aan de adviserend arts een exemplaar van die kennisgeving alsook het in bijlage X bedoelde formulier.

De adviserend arts van de verzekeringsinstelling moet zich houden aan de onder c) bedoelde bepalingen die op hem betrekking hebben.

§ 2. Van de beslissing van de arts van de erkende controledienst wordt, in de gevallen bedoeld in § 1, aan de gerechtigde kennis gegeven, hetzij bij het onderzoek door de arts, hetzij binnen twee kalenderdagen na ontvangst van de bescheiden betreffende de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid.

§ 3. Wanneer een gerechtigde, zonder dat hij de arbeid heeft hervat, door de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling verder arbeidsongeschikt wordt erkend tijdens een tijdvak waarin de werkgever bij de arbeidsongeschiktheidsuitkering, een aanvullende uitkering dient te betalen bij toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis en 13bis, afgesloten op 26 februari 1979 binnen de schoot van de Nationale Arbeidsraad, zendt de adviserend arts een afschrift van zijn beslissing aan de erkende geneeskundige controledienst.

Aanvangsdatum van de ongeschiktheid

Art. 14.

Bij een ongeschiktheid waarvoor mogelijk arbeidsongeschiktheidsuitkeringen kunnen worden verleend, wordt de aanvangsdatum van die ongeschiktheid vastgesteld door de arts van de erkende controledienst, behoudens andersluidende beslissing van de adviserend arts.

Afdeling IV.- Gemeenschappelijke bepalingen voor de situaties bedoeld in de afdelingen II en III, met uitsluiting van de situatie, bedoeld in artikel 13, § 1, b).

Controle

Art. 15.

De arbeidsongeschikte gerechtigde is ertoe gehouden gevolg te geven aan elke oproeping voor een controle-onderzoek vanwege de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling, vanwege de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of vanwege de Geneeskundige raad voor invaliditeit.

Indien hij zich niet kan verplaatsen, is hij ertoe gehouden van die onmogelijkheid onmiddellijk mededeling te doen op het adres dat op de oproeping is opgegeven, en hij moet zich vanaf dat tijdstip op het door hem opgegeven adres ter beschikking van de controle houden.

Die verplichting vervalt na verloop van een termijn van vijf kalenderdagen te rekenen vanaf de kennisgeving door de verzekerde van de redenen die hem belet hebben aan de oproeping van de adviserend arts gevolg te geven.

De gerechtigde die tijdens zijn arbeidsongeschiktheid van verblijfplaats verandert, moet de adviserend arts van de verzekeringsinstelling binnen twee dagen na deze verandering zijn nieuw adres melden.

Onverminderd de reglementaire verplichtingen betreffende het verkrijgen van een voorafgaandelijke toelating voor het overbrengen van de verblijfplaats, moet de gerechtigde die zijn verblijfplaats tijdens een tijdvak van arbeidsongeschiktheid naar het buitenland wenst over te brengen, de adviserend arts daarvan ten minste vijftien dagen vóór zijn vertrek in kennis stellen.

De adviserend arts moet onverwijld, voor ieder geval, de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling en de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle verwittigen.

Toelating om tijdens de ongeschiktheid een activiteit te hervatten

Art. 16.

De gerechtigde die uitkeringen ontvangt, kan overeenkomstig artikel 230 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, van de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling de toestemming verkrijgen om een met zijn gezondheidstoestand verenigbare activiteit te hervatten.

Opgeheven door: Verord. 19-9-12 - B.S. 17-5-13 - ed. 2 - art. 1 (vroeger 2de lid)

Opgeheven door Verord. 19-9-12 - B.S. 17-5-13 - ed. 2 - art. 1 (vroeger 3de lid)

De adviserend arts moet de graad van ongeschiktheid van die gerechtigde controleren op grond van een geneeskundig onderzoek dat ten minste eens om de zes maanden wordt verricht, tenzij de elementen aanwezig in het medisch dossier een onderzoek op een latere datum verantwoorden.

Deze bepaling geldt zowel voor het tijdvak van primaire ongeschiktheid als voor het tijdvak van invaliditeit.

De door de gerechtigde uitgeoefende beroepsactiviteit in het kader van een revalidatie goedgekeurd door het College van geneesheren-directeurs of in het kader van een beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit wordt gelijkgesteld met een door de adviserend arts toegelaten arbeid.

Met arbeid, verricht met toestemming van de adviserend arts, wordt eveneens gelijkgesteld de beroepsactiviteit die de gerechtigde uitoefent in het raam van artikel 23 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Einde van de ongeschiktheid

Art. 17.

§ 1. Onverminderd de bepalingen betreffende de vaststelling en de kennisgeving van het einde van de staat van invaliditeit, bedoeld in titel III, hoofdstuk I, afdeling II van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, geeft de adviserend arts van de verzekeringsinstelling, of de arts-inspecteur, die bij een geneeskundig onderzoek vaststelt dat de gerechtigde niet meer in staat van arbeidsongeschiktheid is, of die oordeelt dat die gerechtigde de arbeid op een bepaalde datum kan hervatten, hem dadelijk tegen bewijs van ontvangst een formulier "einde arbeidsongeschiktheid" af, conform het model in bijlage VII-1. Deze beslissing gaat in daags na de dag van de afgifte, behoudens als de adviserend arts of de arts-inspecteur een latere datum heeft vastgesteld.

Indien de gerechtigde evenwel weigert vorenbedoeld formulier te tekenen, waarbij de datum van einde van de arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd, wordt dit formulier hem onverwijld ter post aangetekend toegezonden.

Indien het geneeskundig onderzoek dat door de adviserend arts is verricht, andere geneeskundige onderzoeken of aanvullende inlichtingen heeft vereist, wordt het formulier "Einde arbeidsongeschiktheid" eveneens ter post aangetekend aan de gerechtigde gezonden. De arbeidsongeschiktheid wordt geacht voort te duren tot en met de dag na die van de verzending van dat formulier aan de gerechtigde, behoudens als de adviserend arts een latere datum heeft vastgesteld.

De adviserend arts deelt zijn beslissing onmiddellijk mee aan de administratieve diensten van zijn verzekeringsinstelling met een formulier conform het model in bijlage VII-2.

§ 2. Indien de adviserend arts oordeelt dat een gerechtigde, die in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland verblijft of woont en valt onder het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en nr. 987/2009 van 16 september 2009 tot vaststelling van haar wijze van toepassing, na ontvangst van een medisch controlerapport opgesteld door de controlearts van die lidstaat, niet langer als arbeidsongeschikt in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet kan worden beschouwd, brengt hij onverwijld zijn beslissing ter kennis van de gerechtigde onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald in § 1, derde lid, met een formulier conform het model in bijlage VII-1bis.

De adviserend arts brengt zijn beslissing onmiddellijk ter kennis van de administratieve dienst van zijn verzekeringsinstelling met een formulier conform het model in bijlage VII-2bis.

Getuigschrift van arbeidshervatting of van werkloosheid

Art. 18.

De gerechtigde bezorgt zijn verzekeringsinstelling binnen de acht dagen volgend op het einde van elke arbeidsongeschiktheid een bewijs conform het model in bijlage VIII, dat is ingevuld, gedateerd en ondertekend door zijn werkgever en waarin de datum is vermeld waarop de betrokkene de arbeid heeft hervat.

De werkgever kan de verzekeringsinstelling binnen dezelfde termijn de gegevens die vermeld staan op het bewijs van arbeidshervatting, elektronisch doorsturen volgens de voorwaarden bepaald bij de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.

Het bewijs kan eveneens op vraag van de verzekeringsinstelling worden doorgestuurd; in dat geval wordt de aanvraag via elektronische weg naar de werkgever verzonden, indien hij voor deze drager heeft gekozen; zo niet wordt het papieren formulier hem door de verzekeringsinstelling opgestuurd of door de gerechtigde bezorgd indien de verzekeringsinstelling de identiteit van de werkgever niet kent. Het bewijs wordt via dezelfde drager als de aanvraag verstuurd.

Indien de gerechtigde het werk heeft hervat vóór het einde van de periode tijdens dewelke hij het gewaarborgd loon ontvangt, verstuurt de werkgever ook een bewijs van arbeidshervatting op papieren of elektronische drager, als antwoord op een aanvraag voor een inlichtingsblad uitgaande van de verzekeringsinstelling of de gerechtigde.

Indien de gerechtigde de hoedanigheid van gecontroleerd werkloze heeft, deelt de uitbetalingsinstelling van de werkloos-heidsuitkeringen, op initiatief van de gerechtigde, aan de verzekeringsinstelling de datum van hervatting van de gecontroleerde werkloosheid mee, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, aan de hand van een door het Beheerscomité goedgekeurd elektronisch bericht.

Gaat het om een spontane werkhervatting, dan verwittigt de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling de adviserend arts hiervan. Deze verwittigt de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle wanneer het gaat om een hervatting in het tijdvak van primaire ongeschiktheid. Hetzelfde geldt bij overlijden of pensionering van de gerechtigde.

Het eerste lid en het vijfde lid zijn niet van toepassing als de gerechtigde het werk of de gecontroleerde werkloosheid hervat na de einddatum van de periode van arbeidsongeschiktheid die ter kennis is gebracht door de adviserend arts van de verzekeringsinstelling, de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de Geneeskundige raad voor invaliditeit.

Verlenging van de termijnen

Art. 19.

Wanneer de laatste dag van de in de afdelingen I, II, III en IV bepaalde termijnen een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

Afdeling V.- Data van uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

Art. 20.

§ 1. De primaire ongeschiktheidsuitkering wordt voor de eerste maal uitbetaald binnen dertig dagen na de ontvangst van de aangifte van arbeidsongeschiktheid en daarna uiterlijk binnen de eerste vijf dagen van de maand voor de maand die voorafgaat.

§ 2. De invaliditeitsuitkering wordt door de verzekeringsinstelling ten vroegste betaald op de derde laatste werkdag van de maand voor de lopende maand en uiterlijk binnen de eerste vijf dagen van de maand voor de maand die voorafgaat.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden alle dagen, behalve de zaterdagen, zondagen en feestdagen, als werkdagen beschouwd.

Afdeling VI. - Opgeheven door: Verord. 22-5-13 - B.S. 18-6 - art. 1

Art. 21.

Opgeheven door: Verord. 22-5-13 - B.S. 18-6 - art. 1

Afdeling VII.- Berekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

Art. 22.

Voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening worden alle dagen van het jaar, behoudens de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.

Voor het vaststellen van de dagen waarvoor uitkeringen kunnen worden verleend, worden de wettelijke feestdagen op dezelfde grond in aanmerking genomen als de werkdagen.

Art. 23.

Voor de gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid verbonden is, hetzij door een arbeidsovereenkomst, hetzij door een leerovereenkomst, of die arbeidt onder gelijkaardige voorwaarden, is het gederfde loon gelijk aan het gemiddeld dagloon bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht.

Voor de werknemer die recht heeft op een vast maandloon, is het gemiddeld dagloon gelijk aan 1/26e van het maandloon.

Voor de werknemer die recht heeft op een vast uurloon, wordt het gemiddeld dagloon bekomen door dit uurloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller overeenstemt met het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van de werknemer en de noemer gelijk is aan zes.

Voor de werknemer met een variabel loon wordt het gemiddeld dagloon bekomen door het normale loon van de arbeidscyclus te delen door het aantal werkdagen van die cyclus.

Het gemiddeld dagloon van de werknemer voor wie de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op een forfaitair dagloon, is gelijk aan dit forfaitair dagloon in geval van een tewerkstelling in een wekelijkse arbeidsregeling van zes dagen.

De bepalingen van het vijfde lid zijn niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 31ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Het gemiddeld dagloon van deze werknemers wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, derde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 10 juni 2001 bepaald.

Het gemiddeld dagloon voor de overuren ... wordt bekomen door het loon voor de overuren van de referteperiode, gedekt door dit loon, te delen door het aantal werkdagen in die periode.

Art. 24.

Voor de verzekerde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid door een overeenkomst in het kader van een alternerende opleiding verbonden is en de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), tweede lid, van de gecoördineerde wet heeft, is het gederfde loon gelijk aan de financiële bezoldiging zoals bedoeld in artikel 1bis, tweede lid, 6°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders , naargelang het geval, waarop hij aanspraak had kunnen maken op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid of waarop hij aanspraak kon maken op de laatste dag van het tweede kwartaal dat voorafgaat aan dat waarin het risico zich voordoet.

De vaststelling van het gederfde loon zoals bedoeld in het eerste lid gebeurt overeenkomstig artikel 23, tweede tot vijfde lid.

Deeltijdse werknemer

Art. 25.

Opgeheven bij : Verord. 18-9-02 - B.S. 9-11 - ed. 1

Tijdelijke leerkracht

Art. 26.

Voor de tijdelijke leerkracht is het gemiddeld dagloon gelijk aan 1/312e van het jaarloon , naargelang het geval, waarop hij aanspraak had kunnen maken op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid of waarop hij aanspraak kon maken op de laatste dag van het tweede kwartaal dat voorafgaat aan dat waarin het risico zich voordoet.

Uitzendkracht, seizoenarbeider en tijdelijke werknemer

Art. 27.

§ 1. Voor de uitzendkracht en de seizoenarbeider die voldoen aan de bij artikel 23, eerste lid, bepaalde voorwaarden, wordt het gemiddeld dagloon verkregen door het uurloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller overeenstemt met het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van de referentiepersoon en waarvan de noemer gelijk is aan zes.

Het bedrag van het gemiddeld dagloon bedoeld in het eerste lid wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de som van het aantal arbeidsuren bedoeld in artikel 203 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 dat de gerechtigde totaliseert voor het tweede en derde inhoudingskwartaal voorafgaand aan het kalenderkwartaal waarin hij arbeidsongeschikt is geworden en waarvan de noemer gelijk is aan 988.

Indien de uitzendkracht of de seizoenarbeider bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid gerechtigde is op het recht op uitkeringen in de zin van artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet sedert minder dan de bedoelde periode in het voorgaande lid, wordt er in de teller rekening gehouden met het aantal voornoemde arbeidsuren dat de gerechtigde totaliseert voor het eerste en tweede inhoudingskwartaal voorafgaand aan het kalenderkwartaal waarin hij arbeidsongeschikt is geworden.

Indien de uitzendkracht of de seizoenarbeider bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid gerechtigde is op het recht op uitkeringen in de zin van artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet sedert minder dan de in de voorgaande leden bedoelde periodes, wordt er in de teller rekening gehouden met het aantal voornoemde arbeidsuren van de periode die een aanvang neemt op de datum waarop hij de bovenvermelde hoedanigheid van gerechtigde heeft verworven en verstrijkt de dag vóór de arbeidsongeschiktheid en in de noemer met het aantal werkuren dat deze periode telt. Dit aantal uren wordt verkregen door het aantal werkdagen van de genoemde periode te vermenigvuldigen door het gemiddeld aantal arbeidsuren per dag, uitgedrukt in een zesdagenstelsel. De wettelijke feestdagen worden op dezelfde grond in aanmerking genomen als de werkdagen.

§ 2. De periodes van inactiviteit die in aanmerking worden genomen voor het onderzoek van de verzekerbaarheidsvoorwaarden worden gelijkgesteld met arbeidsuren bedoeld in § 1, ten belope van het aantal arbeidsuren dat de gerechtigde in de loop van deze periodes zou hebben vervuld.

§ 3. Als de uitzendkracht of de seizoenarbeider voor de twee refertekwartalen bedoeld in § 1, tweede en derde lid, een aantal arbeidsuren en gelijkgestelde uren aantoont gelijk aan ten minste 874 uren of aan het minimum aantal arbeidsuren aangepast in functie van de referteperiode bedoeld in § 1, vierde lid, wordt het gemiddeld dagloon niet vermenigvuldigd met de breuk bedoeld in de voornoemde leden.

Als de uitzendkracht of de seizoenarbeider bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid deeltijds is tewerkgesteld en aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid voldoet, wordt het gemiddeld dagloon, in afwijking van de bepalingen van § 1, verkregen door het uurloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller overeenstemt met het gemiddeld aantal arbeidsuren per week van de werknemer en waarvan de noemer gelijk is aan zes.

Als de uitzendkracht of de seizoenarbeider bij het begin van de arbeidsongeschiktheid eveneens in een andere hoedanigheid is tewerkgesteld, mag het gemiddeld aantal uren per week bedoeld in het voorgaande lid niet hoger zijn dan het gemiddeld aantal uren per week van de referentiepersoon, voor alle tewerkstellingen.

Art. 28.

Voor de gerechtigde die is tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid, wordt het gederfde loon berekend overeenkomstig artikel 23, of artikel 27, indien hij is tewerkgesteld als uitzendkracht.

Art. 29.

Opgeheven bij: Verord. 18-9-02 - B.S. 9-11 - ed. 1

Ontbreken van loon

Art. 30.

§ 1. Voor de gecontroleerde volledige werkloze gerechtigde die zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de eerste of tweede vergoedingsperiode in de zin van artikel 114, § 1 of § 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, hierna het koninklijk besluit van 25 november 1991 genoemd, en wiens werkloosheidsuitkering op basis van het tijdens een periode van tewerkstelling verdiende loon werd berekend of zou zijn berekend als er geen toepassing was geweest van artikel 115 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, is het gederfde loon gelijk aan het gemiddeld dagloon dat op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid in aanmerking zou worden genomen voor het vaststellen van het bedrag van de werkloosheidsuitkering.

Voor de gerechtigde, bedoeld in artikel 127, § 1, 1° of § 2 of in artikel 127, § 1, 7°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, die een anciënniteitstoeslag geniet in de hoedanigheid van werknemer met gezinslast, wordt het overeenkomstig het vorige lid vastgestelde gederfd loon verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met de anciënniteitstoeslag bedoeld, naargelang het geval, in het voormelde artikel 127, § 1, 1° of 7°, aangepast aan het indexcijfer op de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid en gedeeld door 0,6.

§ 2. Voor de gecontroleerde volledige werkloze gerechtigde die zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in de derde vergoedingsperiode in de zin van artikel 114, § 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 en die een forfaitaire werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 114, § 3 of § 4, 1° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 geniet, wordt het gederfde loon berekend alsof de arbeidsongeschiktheid was aangevangen op de laatste werkloosheidsdag van de tweede vergoedingsperiode.

Voor de gerechtigde, bedoeld in artikel 127, § 1, 8° van het koninklijk besluit van 25 november 1991, die een anciënniteitstoeslag geniet in de hoedanigheid van werknemer met gezinslast, wordt het overeenkomstig het vorige lid vastgestelde gederfde loon verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met de anciënniteitstoeslag bedoeld in het voormelde artikel 127, § 1, 8°, aangepast aan het indexcijfer op de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid en gedeeld door 0,6.

§ 2/1. Voor de gerechtigden die een uitkering als bedoeld in de artikelen 36, 36ter, 36quater of 36sexies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering genieten, is het gederfde loon gelijk aan het minimumloon dat op de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid door het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden is vastgesteld voor een bediende van categorie I met een beroepservaring van niveau 0. Dit gederfde loon wordt eveneens in aanmerking genomen voor de gerechtigde die in toepassing van artikel 131 van de gecoördineerde wet zijn recht op uitkeringen behoudt na het verlies van de in artikel 86, § 1, 1°, c) van de gecoördineerde wet bedoelde hoedanigheid van gerechtigde die hij wegens het genot van een uitkering als bedoeld in de artikelen 36, 36ter, 36quater of 36sexies van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 bezat, evenals voor de gerechtigde bedoeld in artikel 86, § 1, 3° van de gecoördineerde wet die voor de aanvang van de periode van voortgezette verzekering een uitkering als bedoeld in de artikelen 36, 36ter, 36quater of 36sexies van het voornoemde koninklijk besluit heeft genoten.

Voor de gerechtigde die zich, bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid niet in de voorwaarden voorzien bij de artikelen 23 tot 30, § 1, § 2 of § 2/1, eerste lid bevindt, is het gederfde loon gelijk aan het minimumloon dat op de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid door het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden is vastgesteld voor een bediende van categorie I met 9 jaren beroepservaring.

§ 3.

a) Voor de gerechtigde die bij toepassing van artikel 103 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 uitkeringen geniet over halve dagen, wordt het in § 1 of § 2... bedoelde gederfde loon vermenigvuldigd met een breuk met als teller het aantal halve werkloosheidsuitkeringen per week die werden toegekend of toegekend zouden zijn op basis van de theoretische wekelijkse uitkeringsregeling en met als noemer 12.

b) Voor de gerechtigde die aan het einde van zijn laatste tijdvak van tewerkstelling de hoedanigheid had van seizoenarbeider of uitzendkracht, wordt het in § 1 , § 2 of § 2/1, tweede lid bedoelde gederfde loon aangepast overeenkomstig hetgeen in artikel 27 is bepaald.

c) Voor de gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid niet aan de in de artikelen 23 tot 27 gestelde voorwaarden voldoet om een andere reden dan werkloosheid, en die aan het einde van zijn laatste tijdvak van tewerkstelling deeltijds was tewerkgesteld, wordt het in § 2/1, tweede lid bedoelde gederfde loon vermenigvuldigd met een breuk met als teller het gemiddeld aantal arbeidsuren per week, zoals vastgesteld in de schriftelijke arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement, en met als noemer het gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van een werknemer die in dezelfde onderneming of bij ontstentenis in dezelfde bedrijfstak in een gelijkaardige functie voltijds tewerkgesteld is.

Art. 31.

Voor de in artikel 30 bedoelde gerechtigden, wier arbeidsongeschiktheid aanvangt uiterlijk de dertigste dag na het einde van een toestand als bedoeld in de artikelen 23 tot 27 en 34, wordt het gederfde loon berekend alsof de arbeidsongeschiktheid was aangevangen bij het einde van die toestand, volgens het gemiddeld dagloon waarop hij op deze datum aanspraak kon maken.

De in het vorige lid bepaalde termijn wordt geschorst gedurende het tijdvak van de krachtens de voormelde toestanden genomen wettelijke vakantie, vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of bijkomende vakantie, voor zover deze periode onmiddellijk volgt op het einde van de tewerkstelling of van de periode waarover de gerechtigde een vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst geniet, evenals gedurende het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde zijn militieverplichtingen vervult.

Het loon voor overwerk zoals omschreven in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt in aanmerking genomen op voorwaarde dat het minstens 10 pct. van het totale loon vertegenwoordigt dat zou in aanmerking kunnen worden genomen om de uitkeringen te berekenen gedurende de referteperiode die eindigt op de laatste dag van de situatie bedoeld in de artikelen 23 tot 27 of de laatste dag van de arbeidsovereenkomst in de situatie bedoeld in artikel 34, en die aanvat ten vroegste bij de aanvang van hetzelfde kalenderkwartaal of later, bij het begin van de laatste stabiele tewerkstelling als zij is aangevat na het begin van hetzelfde kalenderkwartaal.

Art. 32.

Wanneer de gerechtigde bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid sedert meer dan dertig dagen niet meer onder de regeling van de Belgische verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen staat, is het loon dat als basis dient voor de berekening van de invaliditeitsuitkering die krachtens een internationaal verdrag of een internationale verordening inzake sociale zekerheid, geheel of gedeeltelijk ten laste van die regeling komt, het in artikel 30, § 2/1, tweede lid bedoelde loon.

Het in het vorige lid bedoelde loon wordt aangepast overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 30, § 3, b) of c), voor de gerechtigde die aan het einde van zijn laatste tijdvak van tewerkstelling, voorzover dit gesitueerd is na 1 juli 1982, de hoedanigheid had van seizoenarbeider of uitzendkracht of deeltijds was tewerkgesteld.

Bijzondere situaties

Art. 33.

§ 1. Wanneer de gerechtigde zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 32, eerste lid, 4° van de gecoördineerde wet en bij de aanvang van haar rust de bij één van de artikelen 23 tot 27 gestelde voorwaarden vervulde, wordt het gederfde loon berekend alsof de arbeidsongeschiktheid was aangevangen op de eerste dag van de arbeidsonderbreking, volgens het gemiddeld dagloon waarop zij op deze dag aanspraak kon maken.

Het loon voor overwerk zoals omschreven in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt in aanmerking genomen op voorwaarde dat het minstens 10 pct. van het totale loon vertegenwoordigt dat zou in aanmerking kunnen worden genomen om de uitkeringen te berekenen gedurende de referteperiode die eindigt daags voor de arbeidsonderbreking, en die aanvat ten vroegste bij het begin van hetzelfde kalenderkwartaal of later, bij het begin van de laatste stabiele tewerkstelling als zij is aangevat na het begin van hetzelfde kalenderkwartaal.

§ 2. Als een tijdvak van arbeidsongeschiktheid onmiddellijk volgt op een tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114 of 114bis van de gecoördineerde wet, moet als gederfd loon voor het berekenen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering het gederfde loon in aanmerking genomen worden dat met toepassing van artikel 45 is bepaald op de eerste dag van het tijdvak van moederschapsbescherming. De bepalingen van artikel 42, § 1, tweede lid, die niet in aanmerking werden genomen voor de berekening van de moederschapsuitkering tijdens een tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114 van de gecoördineerde wet zijn nochtans van toepassing voor de berekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het geval bedoeld in deze paragraaf.

§ 3. De in § 2 bedoelde bepaling is niet van toepassing op de onthaalmoeders bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

§ 4. Opgeheven door: Verord. 18-11-15 - B.S. 29-12 - art. 4

Art. 34.

§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 103 van de gecoördineerde wet wordt voor de gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid een vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst of een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders geniet, het gederfde loon berekend alsof de arbeidsongeschiktheid was aangevangen op de dag van het ontslag, volgens het gemiddeld dagloon waarop hij op deze dag aanspraak kon maken.

Het loon voor overwerk zoals omschreven in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt in aanmerking genomen op voorwaarde dat het minstens 10 pct. van het totale loon vertegenwoordigt dat zou in aanmerking kunnen worden genomen om de uitkeringen te berekenen gedurende de referteperiode die eindigt op de laatste dag van de arbeidsovereenkomst, en die aanvat ten vroegste bij het begin van hetzelfde kalenderkwartaal of later, bij het begin van de laatste stabiele tewerkstelling als zij is aangevat na het begin van hetzelfde kalenderkwartaal.

§ 2. Voor de gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid een vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst of een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders geniet en tevens hetzij verbonden is door een arbeids- of een leerovereenkomst, hetzij onder gelijkaardige voorwaarden arbeidt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend op grond van het in één van de artikelen 23 tot 27 bedoelde loon met betrekking tot die laatste tewerkstelling.

Bij het verstrijken van het tijdvak dat is gedekt door de vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst of de ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders mag dat loon evenwel niet kleiner zijn dan het in § 1 bedoelde loon.

§ 3. Voor de gerechtigde in volledige gecontroleerde werkloosheid, die zich bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid bevindt in het theoretische tijdvak gedekt door de vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst, zoals deze werd vastgesteld in de aanvraag tot vergoeding, ingediend bij het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, wordt het gederfde loon berekend alsof de arbeidsongeschiktheid was aangevangen op de dag van het ontslag, volgens het gemiddeld dagloon waarop hij op deze dag aanspraak kon maken.

Het loon voor overwerk zoals omschreven in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt in aanmerking genomen op voorwaarde dat het minstens 10 pct. van het totale loon vertegenwoordigt dat zou in aanmerking kunnen worden genomen om de uitkeringen te berekenen gedurende de referteperiode die eindigt op de laatste dag van de arbeidsovereenkomst, en die aanvat ten vroegste bij het begin van hetzelfde kalenderkwartaal of later, bij het begin van de laatste stabiele tewerkstelling als zij is aangevat na het begin van hetzelfde kalenderkwartaal.

Art. 35.

Voor de gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid in gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking is en een onderbrekingsuitkering ontvangt, wordt de uitkering berekend op basis van het deeltijds gederfd loon bepaald overeenkomstig artikel 23.

Bij het verstrijken van het tijdvak waarvoor de gerechtigde deze onderbrekingsuitkering ontvangt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering evenwel berekend op grond van het gederfde loon dat in aanmerking zou worden genomen zo de gerechtigde zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Het vorige lid is nochtans slechts van toepassing inzoverre de periode van vermindering van de arbeidsprestaties die werd overeengekomen het tijdvak waarvoor de gerechtigde de onderbrekingsuitkeringen geniet, niet overtreft.

Art. 35bis.

Voor de gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid in volledige beroepsloopbaanonderbreking is en een onderbrekingsuitkering ontvangt, wordt de uitkering, toegekend bij het verstrijken van het tijdvak van beroepsloopbaanonderbreking, berekend op basis van het gemiddeld dagloon dat in aanmerking zou worden genomen op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid indien hij zijn beroepsloopbaan niet had onderbroken.

Art. 35ter.

Voor de gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid onderworpen is aan een maatregel van tijdelijke collectieve arbeidsduurvermindering, bedoeld in titel 1 van de wet van 19.6.2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis, wordt de uitkering berekend op basis van het gemiddeld dagloon waarop de werknemer de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak had kunnen maken indien zijn arbeidsduur niet was verminderd.

Art. 36.

Voor de gerechtigde die bij het optreden van zijn arbeidsongeschiktheid in halftijds brugpensioen is en werkloosheidsuitkeringen geniet in het kader van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend alsof de arbeidsongeschiktheid was opgetreden de dag vóór de halvering van de arbeidsprestaties, volgens het gemiddeld dagloon waarop hij op deze dag aanspraak kon maken.

Gedurende de periode echter waarin de voornoemde gerechtigde zijn recht op werkloosheidsuitkeringen behoudt krachtens artikel 10, derde lid van het voormelde koninklijk besluit van 30 juli 1994 zonder dat hij het gewaarborgd loon geniet als bedoeld in artikel 52, § 1 of § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend op basis van het halftijds gederfde loon bepaald overeenkomstig artikel 23.

Art. 37.

Wanneer de gerechtigde bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid een wachtvergoeding geniet die wordt toegekend wegens sluiting van de onderneming of een vergoeding wegens collectief ontslag zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 mei 1973 betreffende het collectieve ontslag, wordt het gederfde loon berekend alsof de arbeidsongeschiktheid was aangevangen op de dag van het ontslag, volgens het gemiddeld dagloon waarop hij op deze dag aanspraak kon maken.

Het loon voor overwerk zoals omschreven in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt in aanmerking genomen op voorwaarde dat het minstens 10 pct. van het totale loon vertegenwoordigt dat zou in aanmerking kunnen worden genomen om de uitkeringen te berekenen gedurende de referteperiode die eindigt op de laatste dag van de arbeidsovereenkomst, en die aanvat ten vroegste bij het begin van hetzelfde kalenderkwartaal of later, bij het begin van de laatste stabiele tewerkstelling als zij is aangevat na het begin van hetzelfde kalenderkwartaal.

Art. 38.

Wanneer de gerechtigde naast een hoofdactiviteit één of meer nevenactiviteiten heeft, is het gederfde loon gelijk aan de som van de gederfde lonen berekend op grond van de artikelen 23 tot 27.

Art. 39.

Voor de gerechtigde die in toepassing van artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, werkloosheidsuitkeringen geniet en tevens een nevenactiviteit heeft, is het gederfde loon gelijk aan de som van het gederfde loon berekend op grond van artikel 30 en het gederfde loon berekend op grond van één van de artikelen 23 tot 27.

Voor de dagen arbeidsongeschiktheid waarover gewaarborgd loon wordt betaald, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering enkel berekend op grond van artikel 30.

Art. 40.

Voor de minder-valide werknemer die het genot van de werkloosheidsuitkeringen behoudt gedurende een tewerkstelling in een beschermde werkplaats, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend op grond van artikel 30.

Is het in het artikel 23 bedoelde loon hoger dan het hiervoren bedoelde loon, dan dient evenwel dat loon in aanmerking te worden genomen.

Art. 41.

Voor de gecontroleerde volledige werkloze gerechtigde die een beroepsopleiding volgt in een erkend of door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding opgericht centrum, in een technische onderwijsinrichting of in een onderneming, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend met toepassing van artikel 30.

Art. 42.

§ 1. Onverminderd de toepassing van de aligneringsmaatregel, bedoeld in artikel 211, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het gederfde loon voor de deeltijds werknemer met behoud van rechten die aanspraak heeft op een inkomensgarantieuitkering overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991, gelijk aan de som van, enerzijds, het product van de vermenigvuldiging van het in artikel 30 bedoelde gederfde loon met een breuk met als teller het brutobedrag van de tijdens de refertemaand toegekende inkomensgarantieuitkering en als noemer het bedrag van de referteuitkering, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 75bis, eerste lid en 75quater van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de teopassingsregelen van de werkloosheidsregelementering en, anderzijds, het gederfde loon bedoeld in artikel 23 of, als het om een tijdelijke leerkracht gaat, in artikel 26.

Ingeval het in het eerste lid bedoelde loon minder is dan het loon waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken krachtens artikel 30, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het verstrijken van het tijdvak van alignering, bedoeld in voormeld artikel 211, § 2, berekend op basis van laatst bedoeld loon.

Voor de periode bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, of 3° van de gecoördineerde wet, wordt het gederfde loon vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, waarbij echter geen rekening gehouden wordt met het gederfde loon dat in artikel 23 of 26 is bedoeld.

Voor de toepassing van dit artikel moet onder refertemaand worden verstaan de kalendermaand, bedoeld in artikel 131bis, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, onmiddellijk vóór die waarin de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen.

Wanneer het niet mogelijk is om aan de hand van de in het vorige lid bedoelde referteperiode de verminderingscoëfficiënt te bepalen die moet worden toegepast op het gederfde loon bedoeld in artikel 30, dient er rekening te worden gehouden met een andere referteperiode, die loopt vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen tot daags voor het begin van de arbeidsongeschiktheid.

In dat geval is de noemer van de breuk gelijk aan het bedrag van de daguitkering vermenigvuldigd met het aantal werkdagen in die tweede periode en stemt de teller overeen met het brutobedrag van de inkomensgarantieuitkering toegekend voor dezelfde periode. Indien de gerechtigde pas vanaf een latere datum onder vorenbedoelde voorwaarden deeltijds tewerkgesteld is geweest, loopt de referteperiode evenwel pas vanaf die datum.

§ 2. Heeft de deeltijds werknemer met behoud van rechten geen inkomensgarantieuitkering, als bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991, aangevraagd of heeft hij geen recht op voormelde uitkering, dan is het gederfde loon gelijk aan het gederfde loon bedoeld in artikel 23 of, als het om een tijdelijke leerkracht gaat, in artikel 26.

Bij het verstrijken van het tijdvak van alignering, bedoeld in artikel 211, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, mag het bedoelde loon echter niet lager zijn dan het loon waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken krachtens artikel 30.

Art. 42bis.

Onverminderd de toepassing van de aligneringsmaatregel bedoeld in artikel 211, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het gederfde loon voor de vrijwillig deeltijds werknemer die het werk hervat en wiens halve werkloosheidsuitkeringen worden verminderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, gelijk aan de som van enerzijds het in artikel 30, § 3, a) bedoelde gederfde loon en anderzijds het gederfde loon bedoeld in artikel 23 of, als het om een tijdelijke leerkracht gaat, in artikel 26.

Art. 42ter.

Onverminderd de toepassing van artikel 211, § 2, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het gederfde loon voor de vrijwillig deeltijds werknemer die aanspraak heeft op een inkomensgarantie-uitkering overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991, gelijk aan de som van, enerzijds, het product van de vermenigvuldiging van het in artikel 30, § 3, a) bedoelde gederfde loon met een breuk met als teller het brutobedrag van de tijdens de refertemaand toegekende inkomensgarantie-uitkering en als noemer het bedrag van de referte-uitkering, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 75bis, eerste en derde lid, en 75quater van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering en, anderzijds, het gederfde loon bedoeld in artikel 23 of, als het om een tijdelijke leerkracht gaat, in artikel 26.

In geval het in het eerste lid bedoelde loon echter minder is dan het loon waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken krachtens artikel 30, § 3, a), wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het verstrijken van het tijdvak bedoeld in voormeld artikel 211, § 2, berekend op basis van dit laatst bedoelde loon.

Gedurende de periode bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, of 3° van de gecoördineerde wet, wordt het gederfde loon vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, waarbij echter geen rekening gehouden wordt met het gederfde loon dat in artikel 23 of 26 is bedoeld.

Voor de toepassing van dit artikel moet onder refertemaand worden verstaan de kalendermaand, bedoeld in artikel 131bis, § 2bis, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, onmiddellijk vóór die waarin de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen.

Wanneer het niet mogelijk is om aan de hand van de in het vorige lid bedoelde referteperiode de verminderingscoëfficiënt te bepalen die moet worden toegepast op het gederfde loon bedoeld in artikel 30, § 3, a), dient er rekening te worden gehouden met een andere referteperiode, die loopt vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen tot daags voor het begin van de arbeidsongeschiktheid.

In dat geval stemt de teller van de breuk overeen met het brutobedrag van de inkomensgarantie-uitkering toegekend voor die tweede periode en is de noemer van de breuk gelijk aan het product van de vermenigvuldiging van enerzijds het dagbedrag zoals bedoeld in artikel 75bis, derde lid, van het voormelde ministerieel besluit en anderzijds het aantal werkdagen in dezelfde periode. Indien de gerechtigde pas vanaf een latere datum onder vorenbedoelde voorwaarden deeltijds tewerkgesteld is geweest, loopt de referteperiode evenwel pas vanaf die laatste datum.

Art. 43.

Voor de gerechtigde die, na een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid van méér dan zes maanden of na een tijdvak van invaliditeit, binnen vierentwintig maanden volgend op het einde van dat tijdvak, opnieuw arbeidsongeschikt wordt buiten de termijn gesteld in artikel 87, tweede lid of artikel 93, tweede lid van de gecoördineerde wet, mag het gederfde loon niet lager zijn dan het gederfde loon op grond waarvan de uitkering zou zijn berekend indien voornoemd tijdvak ononderbroken had voortgeduurd.

De termijn van vierentwintig maanden bedoeld in het vorige lid wordt geschorst tijdens een tijdvak van volledige gecontroleerde werkloosheid.

Art. 43bis.

Wanneer de gerechtigde, volledig gecontroleerd werkloze of bruggepensioneerde, het werk hervat heeft na 30 juni 2000 en hij minstens 45 jaar oud was op het moment van de hervatting van het werk, wordt het vroegere loon, voorafgaand aan het loon verdiend uit de hervatte activiteit, in aanmerking genomen voor zover dit hoger is dan het laatst vermelde loon.

Art. 43ter.

Voor de onthaalouder bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, stemt het gemiddeld dagloon overeen met 1/78e van het bedrag, gelijk aan de waarde van het uurloon, bedoeld in artikel 27bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, vermenigvuldigd met het aantal uren, bedoeld in artikel 27bis, § 2 en 3, tweede en vijfde lid, van hetzelfde besluit, van het kwartaal voorafgaand aanhet kwartaal waarin het sociaal risico is aangevangen.

Indien de gerechtigde, bij aanvang van het risico, sedert minder dan het in het vorige lid bedoelde kwartaal onthaalouder is, vangt de referteperiode aan op de dag waarop hij die hoedanigheid heeft verkregen, en eindigt op de dag vóór de aanvang van het risico.

Art. 44.

Het in deze afdeling bedoelde loon wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens van de elektronische berichten bedoeld in artikel 10. Wanneer de noodzakelijke gegevens ontbreken, wint de verzekeringsinstelling ze in met alle mogelijke rechtsmiddelen.

Zolang de verzekeringsinstelling niet over de gegevens beschikt die nodig zijn om het bedrag van het gederfde loon vast te stellen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend op grond van het minimumloon dat bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid door het aanvullend paritair comité voor bedienden is vastgesteld voor een bediende van categorie I met een beroepservaring van niveau 0. Evenwel wordt voor de gerechtigde die laatst als deeltijds werknemer was tewerkgesteld, slechts de helft van dat loon in aanmerking genomen.

...

msg_kfichiers_annexes
msg_kVersion_deEn vigueur le
Annexe 0101/12/1997
  "   "  01/01/2016
Annexe 0201/12/1997
Annexe 0301/01/2004
  "   "  01/01/2006
  "   "  01/01/2012
  "   "  15/11/2014
  "   "  01/01/2015
  "   "  27/04/2015
  "   "  30/06/2016
  "   "  30/12/2016
  "   "  01/01/2019
  "   "  01/07/2019
Annexe 0401/01/2003
  "   "  01/01/2006
Annexe 05-1bis26/12/2010
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-101/12/1997
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/08/2015
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-2bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-201/12/1997
  "   "  01/01/2016
Annexe 06bis26/12/2010
Annexe 0601/12/1997
  "   "  12/04/2013
Annexe 07-1bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 07-101/12/1997
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/08/2015
Annexe 07-2bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 07-201/12/1997
Annexe 0801/12/1997
  "   "  01/01/2006
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/01/2016
  "   "  01/01/2019
Annexe 0901/12/1997
Annexe 1001/12/1997
Annexe 1101/07/2002
  "   "  01/04/2006
23-130/12/2016
24-101/07/2015

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]