Verord. uitkeringen van 16-4-1997

Résumé: De hierna vermelde bijlagen en artikelen kan u terugvinden in de tabel met bijlagen die zich onder de inhoudstafel bevindt: bijlagen 1 tot 11 en artikelen 23/1 en 24/1

Note: Met volledige historiek

Tekst bijgewerkt tot het B.S. 12-7-2019

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]


Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoÖrdineerd op 14 juli 1994

...

Afdeling II.- Bepalingen die van toepassing zijn als er geen erkende dienst voor geneeskundige controle is

Art. 2.

Om recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te verkrijgen, moet de gerechtigde, als bedoeld in artikel 86, § 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, hierna de gecoördineerde wet genoemd, zijn ongeschiktheid doen vaststellen onder de hierna bepaalde voorwaarden.

Uiterlijk de tweede kalenderdag na de aanvang van zijn ongeschiktheid moet de gerechtigde over de post aan de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling een geneeskundig getuigschrift zenden dat is ingevuld, gedateerd en ondertekend en dat de redenen van zijn ongeschiktheid vermeldt, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of hem dat getuigschrift tegen ontvangstbewijs afgeven. Dat getuigschrift moet de gegevens vermelden die voorkomen op het model in bijlage I.

De gerechtigde die bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid gecontroleerd werkloze is, moet binnen de hiervoren vastgestelde termijn, hetzij de door het werkloosheidsbureau uitgereikte kennisgeving van arbeidsongeschiktheid over de post aan de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling zenden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of hem die kennisgeving afgeven tegen ontvangstbewijs, hetzij de in het vorige lid bepaalde formaliteiten vervullen.

De gerechtigde die hervalt in de zin van de artikelen 87 en 93 van de gecoördineerde wet moet van zijn arbeidsongeschiktheid aangifte doen binnen de termijn voorzien in het tweede lid.

Voor de gerechtigde die, bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, verbonden is door een arbeidsovereenkomst voor arbeider of bediende, wordt de termijn evenwel verlengd tot de veertiende, respectievelijk de achtentwintigste kalenderdag te rekenen vanaf de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. In geval van een herval wordt de termijn van twee dagen verlengd ten belope van het saldo van veertien of achtentwintig kalenderdagen.

Art. 3.

De gerechtigde van wiens arbeidsongeschiktheid aangifte is gedaan in het kader van de wetgeving op de arbeidsongevallen, is vrijgesteld van de in artikel 2 bepaalde verplichtingen.

Art. 4.

§ 1. Wanneer de gerechtigde geacht wordt de in artikel 100 van de gecoördineerde wet bedoelde ongeschiktheidsgraad te bereiken, is hij vrijgesteld van de formaliteiten voorzien in artikel 2 voor de duur van de hierna omschreven tijdvakken:

a) het tijdvak van opneming in een verplegingsinrichting, erkend door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, of in een militair hospitaal;

b) de in artikel 239, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 bepaalde tijdvakken tijdens welke het de gerechtigde verboden is naar zijn werk te gaan omdat hij in contact is gekomen met iemand die is aangetast door één van de in datzelfde artikel genoemde besmettelijke ziekten.

De vrijstelling van aangifte bedoeld onder a) en b) wordt verleend op grond van elk stuk dat die vrijstelling wettigt.

§ 2. De termijnen voor het indienen van de in het artikel 2 bedoelde getuigschriften worden verlengd tot de tweede kalenderdag volgend op het einde van een van de in § 1 omschreven tijdvakken, indien dit tijdvak aanvangt tijdens de termijnen voorzien in artikel 2.

Spontane aangifte van ongeschiktheid

Art. 5.

Wanneer een gerechtigde in de loop van zes opeenvolgende maanden, gerekend van datum tot datum, viermaal uitkeringen van de verplichte verzekering heeft genoten, geeft de adviserend arts van de verzekeringsinstelling of in bijkomende orde, de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, hierna het Instituut genoemd, hem ervan kennis dat hij, bij het optreden van een nieuwe ongeschiktheid, de eerste dag van die ongeschiktheid een formulier "verklaring van arbeidsongeschiktheid", conform het model in bijlage II, moet invullen, dateren en ondertekenen en het dezelfde dag over de post aan de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling moet zenden waarbij de poststempel bewijskracht heeft of hem dit tegen ontvangstbewijs moet afgeven, of dat hij anders binnen dezelfde termijn een geneeskundig getuigschrift moet zenden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of afgeven tegen ontvangstbewijs, dat de redenen van die ongeschiktheid vermeldt.

De beslissing van de adviserend arts of van de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut geldt voor een tijdvak van één jaar, maar kan van jaar tot jaar door hem worden vernieuwd.

De adviserend arts mag evenwel van de voorgaande bepalingen afwijken in de hierna vermelde gevallen:

1. wanneer hij vaststelt dat de herhaalde arbeidsongeschiktheden geneeskundig verantwoord zijn;

2. wanneer hij beschouwt dat het onder spontane controle plaatsen niet of niet meer noodzakelijk is;

3. wanneer hij van oordeel is dat de hiervoren bedoelde procedure dient te worden gevolgd vóór er voor de vierde maal uitkeringen worden verleend.

Het geneeskundig dossier moet de verantwoording van de afwijkende beslissing van de adviserend arts bevatten.

Verplichtingen van de gerechtigde

Art. 6.

De bewijslast inzake toezending of afgifte aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling van één van de bescheiden, bedoeld in de artikelen 2, 4 en 5, rust op de gerechtigde.

Art. 7.

Vanaf de toezending of de afgifte aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, van de bescheiden bedoeld in artikel 5, of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, moet de gerechtigde op het adres dat op die bescheiden is opgegeven, ter beschikking blijven van de diensten van de verzekeringsinstelling en van het Instituut.

Hij mag zich pas verplaatsen na ontvangst van de in artikel 11 bedoelde kennisgeving van de beslissing van de adviserend arts.

Aanvangsdatum van de ongeschiktheid

Art. 8.

De aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door de adviserend arts die zijn beslissing neemt, rekening houdend met alle gegevens in zijn bezit, inzonderheid met:

- hetzij de datum die door de behandelend arts op het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, of door de werkgever in het elektronisch bericht bedoeld in artikel 10 is vermeld;

- hetzij de datum die is vermeld op de in artikel 63, § 2 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde kennisgeving van de wetsverzekeraar;

- hetzij de datum die door de gerechtigde is vermeld op de verklaring van arbeidsongeschiktheid.

De aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid mag door de adviserend arts evenwel niet worden betwist in de behoorlijk vastgestelde gevallen die zijn bedoeld in artikel 4 of als de ongeschiktheid is vastgesteld met een door het werkloosheidsbureau uitgereikte kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, alsmede in het geval van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving van de wetsverzekeraar.

Niet tijdige aangifte

Art. 9.

Wanneer de gerechtigde de in de artikelen 2, 4, § 2, en 5, bepaalde formaliteiten niet tijdig heeft vervuld, worden de uitkeringen volledig toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag van toezending van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, van de verklaring van arbeidsongeschiktheid of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of vanaf de eerste werkdag die volgt op die waarop de gerechtigde die bescheiden heeft afgegeven aan de adviserend arts.

De uitkeringen voor de periode die voorafgaat aan de eerste werkdag, als bedoeld in het eerste lid, worden aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger uitbetaald, na een vermindering van 10 pct. die op het dagbedrag van de uitkeringen verschuldigd voor die periode wordt toegepast.

In behartigenswaardige situaties kan de in het vorige lid bepaalde sanctie door de verzekeringsinstelling worden opgeheven, op eensluidend advies van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen van het Instituut of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, voor zover het bedrag van de sanctie minstens 25 EUR bedraagt.

Onder behartigenswaardige situaties moet worden verstaan de situaties waarin de gerechtigde zijn arbeidsongeschiktheid niet kon aangeven ten gevolge van overmacht, evenals de situaties waarin de sociale en financiële toestand van het gezin van de gerechtigde als moeilijk kan worden beschouwd. De behartigenswaardigheid wordt in laatstgenoemde situatie erkend wanneer het inkomen van het gezin van de gerechtigde lager is dan het minimumbedrag, bedoeld in artikel 7 van de verordening van 17 maart 1999 tot uitvoering van artikel 22, § 2, a), van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.

De opheffing van de vermindering van 10 pct. kan evenwel niet voor een tweede maal toegekend worden op basis van de sociale en financiële situatie van het gezin van de gerechtigde tijdens de periode van drie jaar die volgt op het einde van de arbeidsongeschiktheid waarvoor een eerste opheffing van sanctie werd verleend.

Inlichtingsblad en verklaring betreffende de in het kader van de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gestelde voorwaarden van verzekering

Art. 10.

§ 1. Zodra de verzekeringsinstelling op de hoogte is van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid vraagt zij bij de werkgever de gegevens op die toelaten na te gaan of de voorwaarden nodig voor de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn vervuld, en dit via een elektronisch bericht waarvan de inhoud door het Beheerscomité is goedgekeurd en/of bij de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen via een elektronisch bericht waarvan de inhoud door het Beheerscomité is goedgekeurd.

Opgeheven door: verord. 3-7-19 - B.S. 12-7 - art. 2 (vroeger tweede lid)

Opgeheven door: Verord. 3-7-19 - B.S. 12-7 - art. 2 (vroeger derde lid)

De werkgever stuurt het bericht bedoeld in het eerste lid langs elektronische weg, volgens de voorwaarden bepaald bij de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.

De werkgever en de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen sturen de gegevens door op vraag van de verzekeringsinstelling; de werkgever kan de gegevens echter ook op eigen initiatief doorsturen.

De uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen stuurt de gegevens door zodra zij de vraag van de verzekeringsinstelling heeft ontvangen.

De werkgever stuurt de gegevens van het risico zo snel mogelijk door en uiterlijk de eerste werkdag van de maand die volgt op de maand waarin de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen.

Indien aanvullende gegevens worden gevraagd door de verzekeringsinstelling, maakt de werkgever deze gegevens over zodra hij deze aanvraag heeft ontvangen.

Indien de werkgever voor de elektronische drager heeft gekozen, wordt de aanvraag hem op dezelfde wijze bezorgd. Zo niet wordt de aanvraag hem met de post toegestuurd. Indien de verzekeringsinstelling de identiteit van de werkgever niet kent, stuurt zij de aanvraag naar de gerechtigde, die haar daarna aan de werkgever bezorgt.

§ 2. De verzekeringsinstelling vraagt evenwel enkel om mededeling van de gegevens die moeten toelaten na te gaan of voldaan is aan de verzekeringsvoorwaarden voor de toekenning van de uitkeringen, indien die gegevens haar nog niet werden overgemaakt.

Het bewijs dat vereist is voor de toepassing van de artikelen 116/1 tot 116/4 en 128 tot 131 van de gecoördineerde wet, kan volgen uit de loon- en arbeidstijdgegevens die voorkomen in de kwartaalaangiften bestemd voor de Rijksdienst voor sociale zekerheid, of uit de gegevens van het risico of de bijkomende gegevens die de werkgever of de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen aan de hand van de hierboven bedoelde elektronische berichten hebben meegedeeld.

Dit bewijs kan ook volgen uit de gegevens die elektronisch door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of de debiteur van de arbeidsongevallen- of beroepsziektenvergoedingen naar het netwerk van de sociale zekerheid worden doorgestuurd of uit de gegevens vermeld in de verklaring betreffende de in het kader van de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gestelde voorwaarden van verzekering.

§ 3. Zodra zij op de hoogte is van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, bezorgt de verzekeringsinstelling de gerechtigde het luik gerechtigde van het inlichtingsblad, alsook een bewijs van arbeidshervatting conform het model in bijlage VIII. De gerechtigde stuurt het inlichtingsblad, dat hij naar behoren heeft ingevuld en ondertekend, zo snel mogelijk terug naar de verzekeringsinstelling.

Geneeskundige beslissingen in geval van aanvang of van voortduren van een arbeidsongeschiktheid

Art. 11.

§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 177 en 190 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 geeft de adviserend arts aan de gerechtigde kennis van zijn beslissing, uiterlijk de vijfde kalenderdag na de dag van ontvangst van één van de in de artikelen 2, 5 en 13, § 1, c) en d), bedoelde bescheiden.

Dezelfde termijn moet worden nageleefd in het geval van de in artikel 63, § 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bedoelde kennisgeving.

Die termijn wordt evenwel op zeven kalenderdagen gebracht, hetzij bij niet tijdige aangifte van de arbeidsongeschiktheid, hetzij in geval van tussenkomst van de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle op verzoek van de adviserend arts.

De kennisgeving wordt gedaan met een formulier conform het model in bijlage V-1 of VI, naargelang het gaat om een beslissing waarbij de staat van arbeidsongeschiktheid wordt erkend of niet wordt erkend. De beslissing tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid vermeldt, in voorkomend geval, de plaats waar en de datum en het uur waarop de gerechtigde zich voor een onderzoek moet aanmelden.

De adviserend arts zendt terzelfdertijd een afschrift van de kennisgeving aan de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling door toezending van de naar behoren ingevulde bijlage V-2.

Als de adviserend arts beslist de betrokkene te laten controleren door een arts-inspecteur, geeft deze in voorkomend geval onmiddellijk kennis van zijn beslissing aan de betrokkene en aan de adviserend arts.

§ 2. Indien de gerechtigde die valt onder het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en nr. 987/2009 van 16 september 2009 tot vaststelling van haar wijze van toepassing, bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid niet in België, maar in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland verblijft of woont, en aangifte heeft gedaan van zijn arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de bepalingen van artikel 27 van de voormelde Verordening (EG) nr. 987/2009, brengt de adviserend arts zijn beslissing ter kennis met een formulier conform het model in bijlage V-1bis of VIbis, naargelang het gaat om een beslissing waarbij de staat van arbeidsongeschiktheid wordt erkend of niet wordt erkend, en dit zolang hij zijn verblijf- of woonplaats niet opnieuw naar België heeft overgebracht.

De adviserend arts zendt terzelfdertijd een afschrift van de kennisgeving aan de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling door toezending van de naar behoren ingevulde bijlage V-2bis.

De bepalingen van § 1 zijn van toepassing, onder voorbehoud van de wijzigingen aangebracht door de huidige paragraaf.

...

msg_kfichiers_annexes
msg_kVersion_deEn vigueur le
Annexe 0101/12/1997
  "   "  01/01/2016
Annexe 0201/12/1997
Annexe 0301/01/2004
  "   "  01/01/2006
  "   "  01/01/2012
  "   "  15/11/2014
  "   "  01/01/2015
  "   "  27/04/2015
  "   "  30/06/2016
  "   "  30/12/2016
  "   "  01/01/2019
  "   "  01/07/2019
Annexe 0401/01/2003
  "   "  01/01/2006
Annexe 05-1bis26/12/2010
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-101/12/1997
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/08/2015
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-2bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-201/12/1997
  "   "  01/01/2016
Annexe 06bis26/12/2010
Annexe 0601/12/1997
  "   "  12/04/2013
Annexe 07-1bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 07-101/12/1997
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/08/2015
Annexe 07-2bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 07-201/12/1997
Annexe 0801/12/1997
  "   "  01/01/2006
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/01/2016
  "   "  01/01/2019
Annexe 0901/12/1997
Annexe 1001/12/1997
Annexe 1101/07/2002
  "   "  01/04/2006
23-130/12/2016
24-101/07/2015

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]