Verord. uitkeringen van 16-4-1997

Résumé: De hierna vermelde bijlagen en artikelen kan u terugvinden in de tabel met bijlagen die zich onder de inhoudstafel bevindt: bijlagen 1 tot 11 en artikelen 23/1 en 24/1

Note: Met volledige historiek

Tekst bijgewerkt tot het B.S. 12-7-2019

FR   NL   Table des Matičres du document [Affichage standard]


Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoÖrdineerd op 14 juli 1994

...

HOOFDSTUK II.- BEPALINGEN VAN TOEPASSING OP DE MOEDERSCHAPSVERZEKERING

Afdeling I.- In aanmerking te nemen gederfd loon voor de berekening van de moederschapsuitkering bedoeld in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet

Art. 45.

§ 1. Het gederfde loon dat in aanmerking genomen moet worden voor het berekenen van de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 113, eerste lid van de gecoördineerde wet, wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 23 tot 44. De bepalingen van artikel 42, § 1, tweede lid en artikel 42ter, tweede lid zijn echter niet van toepassing voor het berekenen van de moederschapsuitkering tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114 van de gecoördineerde wet.

Wanneer de voltijdse werkneemster gebruik maakt van de mogelijkheid om een deel van haar moederschapsrust om te zetten in verlofdagen van postnatale rust overeenkomstig de bepalingen van artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, wordt er voor het vaststellen van het gemiddeld dagloon voor de berekening van de uitkering voor de verlofdagen van nabevallingsrust, geen rekening gehouden met het aantal werkdagen dat deze periode omvat maar met het aantal dagen tijdens dewelke de werkneemster normaal gewerkt zou hebben tijdens deze periode. Wanneer de deeltijdse werkneemster gebruik maakt van deze mogelijkheid, wordt het gemiddeld dagloon dat in aanmerking moet worden genomen voor de vergoeding van de verlofdagen, vastgesteld door het loon dat verschuldigd is voor de som van de verlofuren te delen door het totale aantal verlofdagen.

§ 2. Opgeheven door: Verord. 29-4-15 - B.S. 15-6 - art. 4

§ 3. Bij afwijking van de bepalingen van § 1, stemt voor de onthaalmoeders bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het gemiddelde dagloon dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de moederschapsuitkering gedurende de tijdvakken van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet, overeen met 1/26e van het bedrag van het gemiddeld minimummaandinkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988. Het bedrag van het gemiddeld dagloon wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal opvangplaatsen waarvoor de onthaalmoeders een erkenning hebben van de bevoegde Gemeenschap bij de aanvang van de maatregel van moederschapsbescherming en de noemer gelijk is aan het maximum aantal opvangplaatsen dat op grond van de Gemeenschapsreglementering erkend kan worden.

§ 4. Als een tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114 of 114bis van de gecoördineerde wet onmiddellijk volgt op een tijdvak van arbeidsongeschiktheid, moet als gederfd loon voor het berekenen van de moederschapsuitkering het gederfde loon in aanmerking genomen worden dat overeenkomstig de artikelen 23 tot 44 is bepaald op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid. De bepalingen van artikel 42, § 1, tweede lid en artikel 42ter, tweede lid zijn echter niet van toepassing voor de berekening van de moederschapsuitkering tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114 van de gecoördineerde wet.

Deze bepaling is niet van toepassing op de onthaalmoeders bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Opgeheven door: Verord. 29-4-15 - B.S. 15-6 - art. 4

§ 5. Wanneer de werkneemster bedoeld in artikel 218 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 het tijdvak van nabevallingsrust verlengt met de periode waarin ze één of meerdere van haar activiteiten heeft voortgezet tijdens een periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 219ter, § 2, vanaf de zesde week, of de achtste week in geval van geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling, is het gederfde loon dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de moederschapsuitkering tijdens de periode van verlenging van de nabevallingsrust, het gemiddeld dagloon dat is bepaald bij de aanvang van de periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114 van de gecoördineerde wet en dat voortvloeit uit de activiteit of activiteiten die recht geven op de verlenging van de nabevallingsrust.

Het eerste lid is eveneens van toepassing om het gederfde loon te bepalen dat in aanmerking moet worden genomen tijdens het tijdvak van verlening van de nabevallingsrust met de periode waarin de werkneemster de uitoefening van één of meerdere van haar activiteiten tijdens haar arbeidsongeschiktheid, onder de voorwaarden bepaald in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet, heeft hervat vanaf de zesde week, of de achtste week in geval van geboorte van een meerling tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling.

Art. 46.

De werkdagen en de dagen die daarmee gelijkgesteld worden voor de toepassing van artikel 113, eerste lid van de gecoördineerde wet worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 22.

Afdeling II.- Data van betaling van de moederschapsuitkering

Art. 47.

De moederschapsuitkering wordt uitbetaald op de data, die in artikel 20, § 1, zijn bepaald voor het uitbetalen van de primaire ongeschiktheidsuitkering.

Evenwel wordt de moederschapsuitkering uitbetaald op de data, bepaald in artikel 20, § 2 als die wordt toegekend aan een gerechtigde, bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet.

Afdeling III.- Te vervullen formaliteiten voor het bekomen van de moederschapsuitkering tijdens een tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114 van de gecoördineerde wet

Art. 48.

De formaliteiten die vervuld moeten worden voor het bekomen van de moederschapsuitkering bedoeld in artikel 114 van de gecoördineerde wet zijn deze vermeld in artikel 10.

Art. 49.

§ 1. De gerechtigde bezorgt aan haar verzekeringsinstelling zo vroeg mogelijk het door het gemeentebestuur uitgereikte geboortebewijs of, bij ontstentenis hiervan, een geneeskundige verklaring die de bevalling bevestigt, of een uittreksel uit de geboorteakte.

De bepalingen van artikel 18 zijn van toepassing bij het einde van het tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114 van de gecoördineerde wet.

§ 2. De gerechtigde die haar nabevallingsrust wenst te verlengen krachtens artikel 114, vijfde lid, van de gecoördineerde wet, bezorgt bij het verstrijken van het tijdvak van nabevallingsrust aan haar verzekeringsinstelling een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat de voorwaarden van de voormelde bepaling vervuld zijn, met vermelding van de duur van opname van de pasgeborene.

In voorkomend geval bezorgt de gerechtigde bij het einde van de verlenging, zoals bepaald in het eerste lid, aan haar verzekeringsinstelling een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging de pasgeborene verder in de verplegingsinrichting heeft verbleven met vermelding van de duur van de opname.

De bepalingen van artikel 18 zijn van toepassing bij het einde van het alzo verlengde tijdvak van moederschapsbescherming.

§ 3. De werkneemster die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om een gedeelte van de facultatieve nabevallingsrust om te zetten in verlofdagen van postnatale rust, overeenkomstig artikel 114, zesde lid, van de gecoördineerde wet, brengt haar verzekeringsinstelling op de hoogte van haar voornemen door het toezenden van de planning die zij eveneens overmaakt aan haar werkgever overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, ten laatste vier weken vóór het einde van de verplichte nabevallingsrust.

De werkneemster bezorgt vervolgens haar verzekeringsinstelling, binnen de acht dagen die volgen op het einde van de ononderbroken nabevallingsrust, een door haar werkgever ingevulde, gedateerde en ondertekende verklaring die de datum bevestigt waarop zij haar beroepsactiviteiten heeft hervat onder de voorwaarden bedoeld in artikel <39>39<derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971>, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971.

Wanneer de werkneemster alle dagen verlof die voortvloeien uit de voormelde omzetting opgenomen heeft, bezorgt de werkgever aan de werkneemster een verklaring die de data van de verlofdagen van postnatale rust vermeldt, evenals het aantal overeenstemmende uren van verlof indien de werkneemster deeltijds was tewerkgesteld bij de aanvang van de moederschapsrust.

De werkneemster bezorgt deze verklaring die geldt als een uitkeringsaanvraag, aan haar verzekeringsinstelling. Deze gaat zo spoedig mogelijk over tot de betaling van de uitkering verschuldigd voor de verlofdagen van postnatale rust.

Afdeling IV.- Te vervullen formaliteiten voor het bekomen van de moederschapsuitkering tijdens een tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet

Art. 50.

Om aanspraak te kunnen maken op de moederschapsuitkering tijdens een tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet, moet de gerechtigde aan haar verzekeringsinstelling een verklaring voorleggen van haar werkgever, waarin de precieze maatregel inzake moederschapsbescherming wordt opgegeven die ten haren opzichte werd genomen, evenals de wettelijke bepaling waarop de voormelde maatregel is gesteund.

Art. 51.

De bepalingen van artikel 10 zijn eveneens van toepassing voor de gerechtigde die aanspraak wenst te maken op moederschapsuitkeringen tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet, voor zover die betrekking hebben op die situatie.

De bepalingen van artikel 18 zijn van toepassing bij het einde van het voormelde tijdvak van moederschapsbescherming.

Art. 52.

De bepalingen van hoofdstuk III zijn voor de daarin bedoelde gevallen eveneens van toepassing op de betaling van de moederschapsuitkering.

Afdeling V.- In aanmerking te nemen gederfd loon voor de berekening van de uitkering voor het omgezet moederschapsverlof bedoeld in artikel 114, zevende lid, van de gecoördineerde wet

Art. 52bis.

Het gederfde loon dat in aanmerking genomen moet worden voor de berekening van de uitkering toegekend tijdens het omgezet moederschapsverlof, bedoeld in de artikelen 221 en 222 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 23 tot 44. De bepalingen van artikel 42, § 1, tweede lid en artikel 42ter, tweede lid, zijn echter niet van toepassing voor de berekening van de uitkering tijdens het omgezet moederschapsverlof bedoeld in artikel 221 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996.

Voor de gerechtigde die, bij de aanvang van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in de artikelen 221 en 222 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, verbonden is door een leerovereenkomst als bedoeld in de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, wordt het gederfde loon vastgesteld overeenkomstig artikel 24, eerste lid.

Opgeheven door: Verord. 29-4-15 - B.S. 15-6 - art. 5

Afdeling VI.- Te vervullen formaliteiten voor het bekomen van de uitkering voor het omgezet moederschapsverlof bedoeld in artikel 114, zevende lid, van de gecoördineerde wet

Art. 52ter.

De formaliteiten die vervuld moeten worden voor het bekomen van de uitkering voor het omgezet moederschapsverlof bedoeld in artikel 114, zevende lid van de gecoördineerde wet zijn deze vermeld in artikel 10.

Als de afstamming niet vaststaat, dient de gerechtigde die het omgezet moederschapsverlof wenst op te nemen een verklaring op erewoord aan de verzekeringsinstelling te bezorgen waarbij wordt bevestigd dat hij de voorwaarden vervult om aanspraak te maken op dit verlof krachtens de voorrangsorde bepaald in artikel 30, § 2, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en, als hij zich bevindt in de situatie bedoeld in artikel 30, § 2, tweede lid, 2° of 3°, van dezelfde wet, dat hij met de moeder niet verbonden is door een band van bloedverwantschap die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor geen ontheffing door de Koning kan worden verleend.

De bepalingen van artikel 18 zijn van toepassing bij het einde van het voormelde tijdvak van omgezet moederschapsverlof.

In de situatie bedoeld in artikel 222 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, moet de gerechtigde bij het einde van het omgezet moederschapsverlof aan de verzekeringsinstelling een bewijsstuk van de verplegingsinstelling bezorgen waarin de datum wordt vermeld waarop de hospitalisatie van de moeder een einde heeft genomen.

Afdeling VII.- Te vervullen formaliteiten voor het bekomen van de uitkeringen van borstvoedingspauze, bedoeld in artikel 116bis van de gecoördineerde wet

Art. 52quater.

De werkgever bezorgt de betrokkene uiterlijk op de datum van uitbetaling van het loon een attest overeenkomstig het model in bijlage XI, dat het aantal halve uren borstvoedingspauze vermeldt toegekend aan de gerechtigde tijdens de verstreken periode, en het bedrag van het bruto-uurloon dat de betrokkene niet heeft ontvangen ingevolge de borstvoedingspauzes. De werkgever bevestigt met dit attest dat de betrokkene de bewijsstukken heeft overgemaakt die nodig zijn voor de toekenning van de voormelde pauzes.

De gerechtigde bezorgt dit attest, dat tevens als een aanvraag geldt voor uitbetaling, aan haar ziekenfonds.

De werkgever kan de gegevens van bijlage XI langs elektronische weg doorsturen, volgens de voorwaarden bepaald bij de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.

Het ziekenfonds doet de nodige verificaties en gaat over tot uitbetaling binnen de dertig dagen na de ontvangst van het attest.

...

msg_kfichiers_annexes
msg_kVersion_deEn vigueur le
Annexe 0101/12/1997
  "   "  01/01/2016
Annexe 0201/12/1997
Annexe 0301/01/2004
  "   "  01/01/2006
  "   "  01/01/2012
  "   "  15/11/2014
  "   "  01/01/2015
  "   "  27/04/2015
  "   "  30/06/2016
  "   "  30/12/2016
  "   "  01/01/2019
  "   "  01/07/2019
Annexe 0401/01/2003
  "   "  01/01/2006
Annexe 05-1bis26/12/2010
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-101/12/1997
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/08/2015
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-2bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 05-201/12/1997
  "   "  01/01/2016
Annexe 06bis26/12/2010
Annexe 0601/12/1997
  "   "  12/04/2013
Annexe 07-1bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 07-101/12/1997
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/08/2015
Annexe 07-2bis26/12/2010
  "   "  01/01/2016
Annexe 07-201/12/1997
Annexe 0801/12/1997
  "   "  01/01/2006
  "   "  12/04/2013
  "   "  01/01/2016
  "   "  01/01/2019
Annexe 0901/12/1997
Annexe 1001/12/1997
Annexe 1101/07/2002
  "   "  01/04/2006
23-130/12/2016
24-101/07/2015

FR   NL   Table des Matičres du document [Affichage standard]