Publié le 21/01/2014
   

FR   NL  

Koninklijk besluit van 24 oktober 1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten der Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden

Art. 109ter.


Art. 110.

§ 1. De vergoeding voor primaire ongeschiktheid is verschuldigd aan elke verzekerde die, op het ogenblik dat zijn werkongeschiktheid begint:

a) een werk verricht dat aanleiding geeft tot toepassing van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der zeelieden ter koopvaardij;

b) wachtvergoeding uit de Pool van de zeelieden ter koopvaardij trekt;

c) in de immuniteitsperiode is bedoeld bij artikel 119;

d) nog steeds in een periode van werkongeschiktheid is welke reeds aanleiding heeft gegeven tot vergoeding of in de bij artikel 88, zesde lid, bepaalde voorwaarden verkeert;

e) in een periode van werkongeschiktheid verkeert welke aansluit bij een rustperiode bij bevalling;

f) in een toestand van primaire werkongeschiktheid is, vergoed krachtens de bepalingen toegepast op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit;

g) in een periode van werkongeschiktheid verkeert bij het verstrijken van een periode van voortgezette verzekering;

h) in een periode van arbeidsongeschiktheid verkeert, die aansluit op niet-bezoldigde dagen gewettigde afwezigheid, ten belope van maximum tien per jaar, wegens dwingende redenen toegekend in toepassing van sectoriële collectieve overeenkomsten, ondernemingsovereenkomsten of individuele overeenkomsten tussen reder en zeeman.

i) in een periode van arbeidsongeschiktheid verkeert, die aansluit op de verloven bedoeld in de artikelen 106, § 5 en 106bis.

§ 2. De invaliditeitsvergoeding is verschuldigd aan de verzekerde die het einde van de bij artikel 88 bepaalde primaire ongeschiktheidsperiode bereikt heeft.


Art. 110bis.

FR   NL   [Affichage standard]