Wet 7-4-2019: houdende invoering vaderschaps- en geboorteverlof t.g.v. zelfstandigen

Note: Tekst ingevoegd door: B.S. 8-5-2019

Numac: 2019012182

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]


Wet van 7 april 2019 houdende invoering van een vaderschaps- en geboorteverlof ten gunste van zelfstandigen

...

HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen

Art. 2.

Artikel 18bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 15 juli 2016 en laast gewijzigd bij de wet van 21 maart 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, voor wat betreft de moederschapshulp en de instelling van de adoptiehulp, wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:

" § 5. Een vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt toegekend ten gunste van zelfstandigen die tijdelijk hun beroepsactiviteit onderbreken naar aanleiding van de geboorte van één of meerdere kinderen.

Worden beoogd door deze uitkeringen, de mannelijke zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die als zelfstandige in hoofdberoep onderworpen zijn aan dit besluit en voor wie een wettelijke afstamming vaststaat ten aanzien van het kind waarvoor de uitkering aangevraagd wordt.

Bij ontstentenis van een zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot bedoeld in het vorige lid, komt hetzelfde recht toe aan de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die, op het ogenblik van de geboorte:

a) hetzij gehuwd is met diegene ten aanzien van wie de afstamming vaststaat;

b) hetzij wettelijk samenwoont met diegene ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, en die niet is verbonden door een band van bloedverwantschap die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen;

c) hetzij sedert een onafgebroken periode van drie jaar voorafgaand aan de geboorte op permanente en affectieve wijze samenwoont met diegene ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, en niet is verbonden door een band van bloedverwantschap die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen. Het bewijs van samenwoning en hoofdverblijf wordt geleverd aan de hand van een uittreksel uit het bevolkingsregister.

Het bedrag van de geboorte-uitkering wordt vastgesteld in functie van een periode van onderbreking van maximaal tien dagen die kunnen worden opgesplitst in halve dagen. In dat geval omvat de totale duur van de onderbreking maximum twintig halve dagen.

Tijdens de uitkeringsgerechtigde periode moet de onderbreking volledig zijn en plaatsvinden in de periode die aanvangt op de dag van de geboorte en eindigt op de laatste dag van het vierde maand volgend op de dag van de geboorte.

Het dagelijks bedrag van de uitkering bedraagt het bedrag dat overeenstemt met de moederschapsuitkering van een vrouwelijke zelfstandige, zoals bedoeld in artikel 94 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten.

De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van deze uitkering verjaart na drie jaar.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de toekenning van deze uitkeringen bepalen:

1) de voorwaarden van aansluiting en betaling van sociale bijdragen;

2) de instellingen en organen bevoegd voor de toekenning en het beheer;

3) de aanvraagprocedure;

4) de termijn waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend;

5) de betalingswijze;

6) de ingangsdatum van de verjaringstermijn;

7) de gevallen waarin er kan verzaakt worden aan de terugvordering van de onterecht uitbetaalde uitkering.

De begunstigden van de vaderschaps- en geboorte-uitkering die tijdelijk hun beroepsactiviteit onderbreken voor een duur van maximum acht dagen, kunnen daarenboven vijftien dienstencheques toegekend krijgen.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de toekenning van deze prestaties.

FR   NL   Table des Matières du document [Affichage standard]