d'application à partir du 27/01/2019
   

FR   NL  

Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 102.


Art. 103.

§ 1. Geen aanspraak op uitkeringen heeft de werknemer:

voor de periode waarvoor hij recht heeft op loon. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Evenwel kan de Koning het aldus bepaalde begrip uitbreiden of beperken;

voor de periode gedekt door het vakantiegeld. De Koning bepaalt wat dient verstaan te worden onder "periode gedekt door het vakantiegeld";

voor de periode waarvoor hij aanspraak kan maken op een vergoeding welke verschuldigd is naar aanleiding van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden, de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord, of op een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

voor de periode waarvoor hij een vergoeding ontvangt, die hem is gewaarborgd door een Belgische of buitenlandse wet, wegens tijdelijke of definitieve stopzetting van zijn gewone beroepsactiviteit, die schadelijk is of dreigt te worden voor zijn gezondheid;

voor de periode waarover hij krachtens een Belgische of vreemde wetgeving aanspraak kan maken op werkloosheidsvergoedingen;

voor de periode waarvoor hij met toepassing van de bepalingen van artikel 23 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen of artikel 34 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, een vergoeding voor algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt wegens stopzetting van een wedertewerkstelling;

voor de periode gedurende dewelke een beroep kan worden gedaan op een onderbrekingsuitkering bij volledige onderbreking van de loopbaan.

§ 2. De gerechtigde, bedoeld in artikel 86, § 1, heeft geen aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tijdens het tijdvak waarin zij geniet van de in artikel 113 bedoelde moederschapsuitkering of van een moederschapsuitkering krachtens een vreemde wetgeving.

§ 3. In afwijking van het in § 1 bepaalde kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, toelaten dat de werknemer uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid geniet, wanneer hij recht heeft op één van de in § 1 opgesomde voordelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt.

Voor de terugvordering van de uitkeringen die de verzekeringsinstelling in toepassing van onderhavige bepaling heeft betaald, treedt zij in de plaats van de rechthebbende.


Art. 104.

FR   NL   [Affichage standard]