Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 131.


(En vigueur le: 06/09/1994 - )

est cité par:

Art. 87.

Voor de in artikel 86, § 1, 1°, c), bedoelde gerechtigden, alsmede voor de gerechtigden die voormelde hoedanigheid behouden krachtens artikel 131, [wordt het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering, gedurende een door de Koning te bepalen tijdvak, gealigneerd op het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden maken indien ze zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, behalve als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering]; deze bepaling is niet van toepassing op de tijdelijke werklozen en de werklozen die door de Koning met een tijdelijke werkloze worden gelijkgesteld. De Koning kan de toepassing van deze maatregel uitbreiden tot de voormelde gerechtigden die de hoedanigheid van gerechtigde, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), verworven hebben sedert minder dan één maand bij de aanvang van hun arbeidsongeschiktheid.
(En vigueur le: 01/01/2015 - )


Art. 129.

Onverminderd de bepalingen van artikel 131, bepaalt de Koning onder welke voorwaarden:
(En vigueur le: 06/09/1994 - )


Art. 132.

Voor de toepassing van de artikelen 128 tot en met 131, wordt de wijze van bewijsvoering vastgesteld door een verordening van het Beheerscomité.
(En vigueur le: 06/09/1994 - )


Koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Art. 204.

§ 1. [Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden bedoeld in artikel 128, § 1, en de gerechtigden bedoeld in artikel 128, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 207, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het kwartaal waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
(En vigueur le: 01/05/2017 - )


§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden bedoeld in de artikelen 116/1, § 1 en 116/1, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 207/1, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het kwartaal na dat waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
(En vigueur le: 01/05/2017 - )


§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden die zijn vrijgesteld van wachttijd overeenkomstig artikel 116/1, § 2, eerste lid of artikel 128, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wet, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het tijdvak dat aanvangt de dag waarop zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen en eindigt op het einde van het daaropvolgende kwartaal.
(En vigueur le: 01/05/2017 - )


§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden die zijn vrijgesteld van wachttijd overeenkomstig artikel 128, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wet, het recht om verstrekkingen te genieten tot het einde van het tijdvak dat aanvangt de dag waarop zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen en eindigt op het einde van het daarop volgende kwartaal.
(En vigueur le: 10/08/1996 - )


Art. 217.

De gerechtigden in gecontroleerde volledige werkloosheid die worden bedoeld in artikel 113, laatste lid, van de gecoördineerde wet, alsook de gerechtigden die voornoemde hoedanigheid krachtens artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden, hebben recht op een basisuitkering, gelijk aan 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet; het bedrag van deze uitkering is echter gelijk aan dat van de werkloosheidsuitkering waarop voornoemde gerechtigden aanspraak hadden kunnen maken als zij niet in een periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet waren geweest.
(En vigueur le: 01/01/2003 - )


Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, § 1, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 30.

§ 2/1. Voor de gerechtigden die een uitkering als bedoeld in de artikelen 36, 36ter, 36quater of 36sexies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering genieten, is het gederfde loon gelijk aan het minimumloon dat op de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid door het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden is vastgesteld voor een bediende van categorie I met een beroepservaring van niveau 0. [Dit gederfde loon wordt eveneens in aanmerking genomen voor de gerechtigde die in toepassing van artikel 131 van de gecoördineerde wet zijn recht op uitkeringen behoudt na het verlies van de in artikel 86, § 1, 1°, c) van de gecoördineerde wet bedoelde hoedanigheid van gerechtigde die hij wegens het genot van een uitkering als bedoeld in de artikelen 36, 36ter, 36quater of 36sexies van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 bezat, evenals voor de gerechtigde bedoeld in artikel 86, § 1, 3° van de gecoördineerde wet die voor de aanvang van de periode van voortgezette verzekering een uitkering als bedoeld in de artikelen 36, 36ter, 36quater of 36sexies van het voornoemde koninklijk besluit heeft genoten.]
(En vigueur le: 15/11/2014 - )