d'application à partir du 01/01/2002
   

FR   NL  

Koninklijk besluit van 15 september 1980 tot uitvoering van artikel 191, eerste lid, 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 6bis.


Art. 7.
01/01/2002 § 1. Bij het verstreijken van de termijn bedoeld in artikel 191, eerste lid, 7°, vierde lid, van de voornoemde wet, is elk uitbetalingsorganisme dat en onrechte geen inhouding heeft verricht of de opbrengst ervan niet heeft gestort van rechtswege in gebreke. Op de bedragen die niet binnen deze termijn werden betaald is het uitbetalingsorganisme een opslag van 10 pct. verschuldigd, alsmede een verwijlinterest van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn tot op de dag waarop de betaling plaatsvindt.
01/01/2002 Het niet verschaffen aan het Rijksinstituut van de in artikel 4 van dit besluit bedoelde aangifte in de vorm en binnen de termijn die zijn voorgeschreven verplicht het uitbetalingsorganisme tot het betalen van een forfaitaire vergoeding van 25 EUR, vermeerderd met 2,50 EUR per rechthebbende en met 2,50 EUR per tranche van 2.500 EUR gestort pensioen.
01/01/2002 Het Rijksinstituut is belast met de invordering van de in deze paragraaf bedoelde bedragen.
01/01/2002 § 2. Het innen der verschuldige sommen kan eveneens geschieden door tussenkomst van het bestuur van Registratie en Domeinen, dat de inning ervan zal verrichten overeenkomstig de bepaling van artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.

Art. 8.

FR   NL   [Affichage pour impression]