| Type | Substance | ATC5 |
|---|---|---|
| Chemo | Fluorouracil | L01BC02 |
| Immuno | Tislezisumab | L01FF09 |
| Immuno | Pertuzumab | L01XC13 |
| Chemo | Epirubicine | L01DB03 |
| Chemo | Carboplatine | L01XA02 |
| Chemo | Cisplatine | L01DB03 |
| Chemo | Gemcitabine | L01BC05 |
| Immuno | Ipilimumab | L01FX04 |
| Chemo | Vinorelbine | L01CA04 |
| Immuno | Cetuximab | L01FE02 |
| Immuno | Trastuzumab | L01FD01 |
| Chemo | Fluoropyrimidine | L01BC04 |
| Chemo | Capecitabine | L01BC06 |
| Immuno | Nivolumab | L01XC17 |
| Immuno | Atézolizumab | L01FF05 |
| Chemo | Oxaliplatine | L01XA03 |
| Immuno | Durvalumab | L01FF03 |
| Chemo | Docetaxel | L01CD02 |
| Immuno | Pembrolizumab | L01FF02 |
| Immuno | Camrelizumab | |
| Chemo | Paclitaxel | L01CD01 |
| Chemo | Irinotecan | L01CE02 |
| Chemo | Nedaplatine |
7 Geneesmiddelen
Deze analyses hebben betrekking tot de periode 01/07/2019 tot en met 31/12/2021 (de eerste 2,5 jaar van de overeenkomst).
7.1 (Neo)adjuvante therapie
In Tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de middelen die in aanmerking zijn genomen om te evalueren of de patiënt met (neo)adjuvante therapie werd behandeld. Deze analyses zijn gebaseerd op de voor het RIZIV beschikbare data (voor terugbetaling).
Camrelizumab en Nedaplatine zijn niet opgenomen, omdat deze nog geen overeenstemmende ATC code hebben.
7.1.1 Kans op (neo)adjuvante therapie
In Figuur 7.1 wordt cumulatief weergegeven welk percentage van de patiënten die complexe slokdarmchirurgie ondergaan, tevens zijn behandeld met (neo)adjuvante therapie. Dit wil zeggen:
- Er binnen de 150 dagen voorafgaand of volgend op de complexe chirurgie een code vanuit Tabel 7.1 werd aangerekend.
De grafiek geeft ook de cumulatieve overlevingskans1 weer (stippellijn). Men ziet dat 80% van de geopereerde patiënten werden behandeld met een vorm van neoadjuvante therapie en 54% van de patiënten met adjuvante therapie.
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-2023
7.1.2 (Neo)adjuvante therapie per ziekenhuis
In de reeks grafieken hieronder is het patiëntentraject weergegeven. Elke horizontale lijn in de grafiek stelt één patiënt voor die doorheen de tijd wordt gevolgd; de x-as is de tijd in dagen voor en na de slokdarmchirurgie. Een cirkel geeft aan of er bij de patiënt een geneesmiddel uit Tabel 7.1 werd gefactureerd, de kleur geeft aan om welk specifiek product het ging. Een vol punt betekent dat de behandeling plaatsvond in het ziekenhuis waar ook de interventie plaatsvond (referentiecentrum), in het andere geval gaat het over een extern ziekenhuis (het verwijzend ziekenhuis). Op het einde van het traject is voor sommige patiënten een zwart kruisje zichtbaar. Dit valt samen met het laatste signaal dat voor deze patiënt is geconstateerd in de terugbetalingen door de ziekenfondsen. Waarschijnlijk betekent dit dat de patiënt op (of kort na) dit punt is overleden. Op de dag van de slokdarmchirurgie (dag 0) is aangegeven wat de hoofddiagnose is die aan de patient is toegekend. Door middel van kleuren zijn deze diagnoses gereduceerd tot maligne, benigne of ‘andere’ pathologie.
Enkel ziekenhuizen die in de periode 2019S2-2022S1 meer dan 25 nomenclatuurnummers opgenomen in de overeenkomst hebben gefactureerd zijn opgenomen in de set van grafieken. Een maximum van 50 patiënten (random selectie) is per grafiek gerepresenteerd. De geïncludeerde periode is van 400 dagen pre tot 400 dagen post complexe slokdarmchirurgie.
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
In eerste instantie wordt per ziekenhuis weergegeven hoeveel procent van de patiënten (die een interventie hebben ondergaan) een bepaald product hebben toegediend gekregen (ongeacht de hoeveelheid). Hoe warmer de kleuren, des te intensiever een product wordt gebruikt. De figuur is opgedeeld in preoperatief (400 dagen) en postoperatief (400 dagen).
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
In tweede instantie wordt weergegeven of de therapie is verschaft in het referentiecentrum. Hoe warmer de kleuren, des te meer de (neo)adjuvante therapie is toegepast buiten het referentiecentrum (in een verwijzend ziekenhuis).
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-2021; DOCP 2018-23
7.2 Antibiotica
In de volgende analyse wordt het patiëntentraject uitgetekend volgens de gefactureerde antibiotica.
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Een samenvattende weergave van het bovenstaande is terug te vinden in de volgende set van figuren. Voor elk ziekenhuis wordt getoond welke fractie van de patiënten een bepaald antibioticum hebben gekregen op de dag van de chirurgische ingreep (t0) enerzijds en de dagen postoperatief (tot het einde van de opname; t+) anderzijds.
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-2023
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-2023
7.3 Antitrombotica
In de volgende analyse wordt het patiëntentraject uitgetekend volgens de gefactureerde antitrombotica.
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Een samenvattende weergave van het bovenstaande is terug te vinden in de volgende set van figuren. Voor elk ziekenhuis wordt getoond welke fractie van de patiënten een bepaald antitromboticum hebben gekregen op de dag van de ingreep (t0) enerzijds en de volgende dagen postoperatief (tot het einde van het verblijf, t+) anderzijds.
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-2021; DOCP 2018-2023
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-2021; DOCP 2018-2023
de werkelijke sterfdata zijn niet bekend, maar er is gewerkt met het laatste signaal dat van een patiënt bekend is in de facturatiehistoriek van de ziekenfondsen. Indien er van een patiënt plots geen signaal meer komt, is het zeer waarschijnlijk dat deze op het laatste signaal, of kort erna, is overleden.↩︎