7  Geneesmiddelen

Deze analyses hebben betrekking tot de periode 01/07/2019 tot en met 31/12/2021 (de eerste 2,5 jaar van de overeenkomst).

7.1 (Neo)adjuvante therapie

Tabel 7.1 geeft een overzicht van de geneesmiddelen die in deze analyse zijn meegenomen om te bepalen of een patiënt behandeld werd met (neo)adjuvante therapie. De evaluatie is gebaseerd op de gegevens die beschikbaar zijn binnen het RIZIV-kader voor terugbetaling.

De geselecteerde middelen omvatten zowel chemotherapeutische als immunotherapeutische stoffen. Voor elk middel is het type therapie, de stofnaam en de bijbehorende ATC5-code weergegeven. Deze selectie vormt de basis voor het identificeren van patiënten die een (neo)adjuvante behandeling kregen in de geanalyseerde periode.

Tabel 7.1: Selected Substances
Type Substance ATC5
Chemo Fluorouracil L01BC02
Chemo Capecitabine L01BC06
Chemo Cisplatine L01DB03
Chemo Fluoropyrimidine L01BC04
Immuno Sorafenib L01XE05
Chemo Oxaliplatine L01XA03
Chemo Paclitaxel L01CD01
Chemo Gemcitabine L01BC05
Chemo Docetaxel L01CD02
Immuno Erlotinib L01EB02
Chemo Irinotecan L01CE02
Immuno Olaparib L01XK01
Immuno Larotrectinib L01EX12

7.1.1 Proportie (neo)adjuvante therapie

Figuur 7.1 toont cumulatief welk percentage van de patiënten die een complexe pancreaschirurgie ondergingen, ook behandeld werd met (neo)adjuvante therapie. Een patiënt wordt als behandeld beschouwd wanneer binnen de 150 dagen vóór of na de ingreep een terugbetalingscode uit Tabel 7.1 werd geregistreerd. De grafiek geeft daarnaast ook de cumulatieve overlevingskans1 weer, aangeduid met een stippellijn.

Uit de gegevens blijkt dat 23% van de geopereerde patiënten een vorm van neoadjuvante therapie kreeg, terwijl 65% behandeld werd met adjuvante therapie. In tegenstelling tot de aanpak bij slokdarmkanker, waar neoadjuvante therapie vaker wordt toegepast, ligt de nadruk bij pancreaschirurgie duidelijk op adjuvante behandeling. Deze bevinding stemt overeen met de informatie die werd verzameld tijdens interviews met ziekenhuisvertegenwoordigers.

Figuur 7.1: Proportions of pre- and post chemo/immuno-treatments (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23

7.1.2 (Neo)adjuvante therapie per ziekenhuis

In de onderstaande reeks grafieken wordt het patiëntentraject weergegeven. Elke horizontale lijn stelt één patiënt voor die over een periode van 400 dagen vóór tot 400 dagen na de complexe pancreaschirurgie wordt gevolgd. De x-as geeft de tijd weer in dagen ten opzichte van de chirurgische ingreep (dag 0). Een gekleurde cirkel duidt aan dat bij de patiënt een geneesmiddel uit Tabel 7.1 werd gefactureerd; de kleur correspondeert met het specifieke product. Een volle cirkel betekent dat de behandeling plaatsvond in het ziekenhuis waar ook de ingreep werd uitgevoerd (het referentiecentrum). Een open cirkel duidt op een behandeling in een ander ziekenhuis (het verwijzend ziekenhuis).

Aan het einde van het traject is bij sommige patiënten een zwart kruisje zichtbaar. Dit valt samen met het laatste moment waarop voor deze patiënt een terugbetaling werd geregistreerd door de ziekenfondsen. Aangezien deze analyse gebaseerd is op facturatiegegevens en niet op klinisch gevalideerde mortaliteitsdata, wordt het ontbreken van verdere facturatie geïnterpreteerd als een indicatie dat de patiënt vermoedelijk overleden is op of kort na dat moment.

Op dag 0 is voor elke patiënt de hoofddiagnose weergegeven die aan de ingreep voorafging. Deze diagnoses zijn gecategoriseerd in drie groepen: maligne, benigne of ‘andere’ pathologie, en worden visueel onderscheiden via kleurcodering.

In de grafieken zijn enkel ziekenhuizen opgenomen die in de periode 2019S2–2022S1 meer dan 25 ingrepen hebben gefactureerd waarvoor een nomenclatuurcode uit de overeenkomst van toepassing was. Per ziekenhuis worden maximaal 50 patiënten weergegeven, geselecteerd via een willekeurige steekproef.

Figuur 7.2: Patient chemo-trajectories, HCI P01 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.3: Patient chemo-trajectories, HCI P02 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.4: Patient chemo-trajectories, HCI P03 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.5: Patient chemo-trajectories, HCI P04 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.6: Patient chemo-trajectories, HCI P05 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.7: Patient chemo-trajectories, HCI P06 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.8: Patient chemo-trajectories, HCI P07 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.9: Patient chemo-trajectories, HCI P08 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.10: Patient chemo-trajectories, HCI P09 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.11: Patient chemo-trajectories, HCI P10 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.12: Patient chemo-trajectories, HCI P11 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.13: Patient chemo-trajectories, HCI P12 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.14: Patient chemo-trajectories, HCI P13 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.15: Patient chemo-trajectories, HCI P14 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.16: Patient chemo-trajectories, HCI P15 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23

In eerste instantie wordt per ziekenhuis weergegeven welk percentage van de patiënten die een chirurgische ingreep hebben ondergaan, een bepaald geneesmiddel toegediend kreeg, ongeacht de dosis of het aantal toedieningen. Deze informatie wordt visueel gepresenteerd via een kleurenschaal: hoe warmer de kleur, hoe intensiever het gebruik van het betreffende product binnen dat ziekenhuis.

De figuur is chronologisch opgebouwd en beslaat een periode van 400 dagen vóór tot 400 dagen na de chirurgische interventie. Hierdoor wordt het gebruik van (neo)adjuvante therapie in relatie tot het tijdstip van de ingreep inzichtelijk gemaakt.

Figuur 7.17: Patient chemo-trajectories pre-intervention, per HCI (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.18: Patient chemo-trajectories post-intervention, per HCI (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.19: Patient chemo-trajectories in other HCI, per HCI (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23

7.2 Antibiotica

In deze analyse wordt het antibioticagebruik in het patiëntentraject visueel weergegeven. Elke horizontale lijn in de grafiek stelt één patiënt voor, gevolgd over een periode van 50 dagen vóór tot 50 dagen na de chirurgische interventie. De x-as geeft het aantal dagen weer ten opzichte van de ingreep (dag 0). Voor elke patiënt wordt aangeduid wanneer een antibioticum werd toegediend, waarbij de kleur van de cirkel overeenkomt met het specifieke middel. De grafiek bevat ook markeringen voor ziekenhuisopname, ontslag en vermoedelijk overlijden, gebaseerd op het laatste geregistreerde facturatiemoment.

De onderstaande figuur toont deze trajecten voor een steekproef van patiënten per ziekenhuis (tab 1 tot tab 15).

Figuur 7.20: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P01 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.21: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P02 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.22: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P03 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.23: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P04 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.24: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P05 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.25: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P06 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.26: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P07 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.27: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P08 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.28: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P09 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.29: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P10 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.30: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P11 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.31: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P12 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.32: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P13 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.33: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P14 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.34: Patient Antibiotics-trajectories, HCI P15 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23

Een samenvattende weergave is terug te vinden in de volgende reeks figuren. Voor elk ziekenhuis wordt weergegeven welk percentage van de patiënten een bepaald antibioticum kreeg toegediend op de dag van de ingreep (t0) en in de periode na de ingreep tot het einde van de opname (t+). Deze figuren bieden inzicht in verschillen in antibioticagebruik tussen ziekenhuizen en in de timing van toediening binnen het zorgtraject.

Figuur 7.35: Patient Antibiotics-trajectories pre-intervention, per HCI (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.36: Patient Antibiotics-trajectories Post-intervention, per HCI (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23

7.3 Antitrombotica

In deze analyse wordt het gebruik van antitrombotica in het zorgtraject van patiënten visueel weergegeven. Elke horizontale lijn in de grafiek stelt één patiënt voor, gevolgd over een periode van 50 dagen vóór tot 50 dagen na de chirurgische ingreep. De x-as toont het aantal dagen ten opzichte van de interventie (dag 0). Voor elke patiënt wordt aangeduid wanneer een antitrombotisch middel werd toegediend. De gebruikte kleur geeft aan om welk specifiek product het gaat. Daarnaast worden ook momenten van opname, ontslag en vermoedelijk overlijden weergegeven, op basis van de laatste geregistreerde terugbetaling.

De onderstaande figuur toont deze trajecten voor een steekproef van patiënten per ziekenhuis (tab 1 tot tab 15).

Figuur 7.37: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P01 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.38: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P02 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.39: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P03 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.40: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P04 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.41: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P05 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.42: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P06 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.43: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P07 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.44: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P08 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.45: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P09 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.46: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P10 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.47: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P11 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.48: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P12 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.49: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P13 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.50: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P14 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.51: Patient AntiTrombotics-trajectories, HCI P15 (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23

Een samenvattende weergave is opgenomen in de volgende reeks figuren. Voor elk ziekenhuis wordt weergegeven welk percentage van de patiënten een bepaald antitrombotisch middel kreeg toegediend op de dag van de ingreep (t0) en in de postoperatieve periode tot het einde van de opname (t+).

Figuur 7.52: Patient Antitrombotics-trajectories pre-intervention, per HCI (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23
Figuur 7.53: Patient Antitrombotics-trajectories post-intervention, per HCI (2019S2-2021S2)
Source: ADH/SHA+ICD10 2019-21; DOCP 2018-23

  1. Het is belangrijk te benadrukken dat deze inschatting gebaseerd is op facturatiegegevens en niet op klinisch gevalideerde mortaliteitsdata. Wanneer een patiënt gedurende een langere periode geen facturatiegegevens meer genereert binnen het RIZIV-systeem, wordt deze administratief als overleden beschouwd. Dit betekent dat de weergegeven overlevingskans een benadering is, en geen exacte weergave van de werkelijke mortaliteit.↩︎