Terug Naar Werk-barometer over werknemers: Toegelaten werkhervattingen
De TNW-barometer verzamelt een reeks kerncijfers die essentieel zijn voor het monitoren van de arbeidsongeschiktheid en het terug-naar-werkbeleid.
Het “stelsel van toegelaten werkhervatting” maakt het mogelijk dat binnen de ziekte- en invaliditeitsverzekering (ZIV) sociale verzekerden, met goedkeuring van de adviserend arts het werk tijdens de periode van erkende arbeidsongeschiktheid kunnen hervatten. Dit is een belangrijk onderdeel van het re-integratieproces, waarbij de verzekerde geleidelijk weer aan het werk kan gaan, terwijl er nog steeds ondersteuning is vanuit de ZIV.
Op deze pagina:
Kerncijfers toegelaten activiteit
Het “stelsel van toegelaten werkhervatting” is van cruciaal belang omdat het personen in arbeidsongeschiktheid de kans biedt om het werk te hervatten op een manier die rekening houdt met hun gezondheidstoestand. Het kan hier gaan om een hervatting van de vroegere activiteit of het aanvatten van een nieuwe activiteit. Het stelt hen in staat om geleidelijk aan hun werkcapaciteit te verbeteren, wat bijdraagt aan hun sociale en professionele integratie. Om de toelating al dan niet te kunnen verstrekken, moet de adviserend arts nagaan of de betrokkene nog een vermindering van het vermogen vanuit medisch oogpunt van ten minste 50% behoudt en of de uitoefening van de activiteit verenigbaar is met de gezondheidstoestand. Afhankelijk van de concrete situatie volgt er een overleg met (medische) professionals en mogelijk een aanpassing van de werkplek of werktijden.
In dit hoofdstuk worden enkele kerncijfers weergegeven met betrekking tot:
- het aantal gerechtigden met een lopende toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit, opgesplitst naar leeftijdscategorieën, provincie, gewest en voornaamste ziektegroepen
- het aantal gerechtigden dat een toelating voor het aanvatten van een deeltijdse activiteit heeft ontvangen, opgesplitst naar leeftijdscategorieën en per toegestaan werkvolume op weekbasis
- het aantal gerechtigden dat in de loop van het betreffende jaar de deeltijdse activiteit heeft stopgezet, opgesplitst naar de reden van stopzetting en de duur van de gedeeltelijke werkhervatting op het moment van de stopzetting.
De hieronder gepresenteerde cijfers voor 2024 betreffen voorlopige cijfers. Tabel 25 geeft het aantal gerechtigden weer met een lopende toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit op 31 december van het betreffende jaar, voor de periode 2017-2024. De cijfers zijn opgesplitst naar leeftijdsgroep en naar de periode arbeidsongeschiktheid (primaire arbeidsongeschiktheid of invaliditeit). Hieruit kan worden afgeleid dat het aantal gerechtigden met een lopende toelating voor een deeltijdse activiteit tussen 2017 en 2024 aanzienlijk stijgt. Op enkele uitzonderingen na – waaronder een daling in 2020 die vermoedelijk gelinkt kan worden aan de COVID-pandemie – neemt het aantal lopende toegelaten werkhervattingen ongeacht de leeftijdscategorie jaar na jaar toe. En dat zowel voor personen in primaire arbeidsongeschiktheid als voor personen in invaliditeit.
De grootste stijgingen tussen 2017 en 2024 doen zich voor bij de gerechtigden met een leeftijd:
- van 60 jaar of meer (+209,63%)
- tussen 55 en 59 jaar (+119,64%).
In tegensteling tot het aantal gerechtigden dat een nieuwe toelating heeft aangevat (zie tabel 28) waarbij het grootste aantal nieuwe toelatingen aangevraagd worden in primaire arbeidsongeschiktheid, ligt het aandeel personen met een toegelaten werkhervatting (tabel 25) systematisch hoger tijdens de periode in invaliditeit, in vergelijking met de periode in primaire arbeidsongeschiktheid. Dit aantal schommelt telkens rond de 80%.
Het aandeel personen in invaliditeit met een toegelaten werkhervatting ten opzichte van het aantal personen in invaliditeit is gestegen tussen 2017 en 2023, met uitzondering van 2020 (tabel 26).
Afhankelijk van het gewest verschilt het aantal gerechtigden in invaliditeit met een lopende toelating van het aantal personen in invaliditeit (tabel 26). In Vlaanderen ligt het aandeel lopende toegelaten werkhervattingen in invaliditeit systematisch het hoogst ten opzichte van het aantal personen in invaliditeit: 14,51% in 2017 en 19,50% in 2023. Zowel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als in het Waalse Gewest is er gedurende de voorgestelde periode een duidelijke stijging merkbaar van respectievelijk 7,03% in 2017 naar 10,42% in 2023 en 8,65% in 2017 naar 13,31% in 2023. Voor de geobserveerde periode kent het Vlaamse Gewest de grootste stijging (+4,99%), gevolgd door het Waalse Gewest (+4,66%) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (+3,39%).
Binnen het Vlaamse Gewest is het procentueel aandeel toelatingen werkhervatting in invaliditeit ten opzichte van het totaal aantal personen in invaliditeit het hoogste in West-Vlaanderen. In 2023 had maar liefst 23,54% van de personen in invaliditeit er een toelating voor een deeltijdse activiteit, gevolgd door Vlaams-Brabant met 21,50% in 2023. In het Waalse Gewest ligt het aandeel het hoogst in de provincies Waals-Brabant (18,39%) en Namen (14,68%).
Tabel 27 maakt een onderscheid tussen de 6 voornaamste ziektegroepen, die het hoogste aandeel vertegenwoordigen in het totaal. Deze 6 ziektegroepen (ZG) zijn als volgt samengesteld:
- ZG 2: gezwellen
- ZG 5: psychische stoornissen
- ZG 6, 7 en 8: ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen
- ZG 9: ziekten van het hartvaatstelsel
- ZG 13: ziekten van het bewegingsstelsel en het bindweefsel
- ZG 19: Ongevalletsels en vergiftigingen
De ziektegroepen 6,7 en 8 worden hierbij gegroepeerd onder de categorie ‘ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen’. De overige ziektegroepen worden gegroepeerd in een categorie ‘andere’. In de onderstaande tabel 27 wordt het aantal personen in invaliditeit met een lopende toegestane activiteit, voor de voornaamste ziektegroepen, vergeleken met de totale populatie in invaliditeit. Hieruit blijkt dat voor 2023 het aandeel van het aantal invaliden met een lopende toelating het hoogst ligt bij personen met een gezwel (27,41%). Bij personen met psychische stoornissen ligt het procentueel aandeel het laagst (14,40% in 2023).
Over de betreffende periode 2017 tot en met 2023 neemt het procentuele aandeel van de gerechtigden met een lopende toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit het sterkst toe bij bepaalde ziektegroepen, namelijk:
- gezwellen (+7,48%)
- ongevalletsels en vergiftigingen (+5,78%).
Bovendien kan geconcludeerd worden dat in totaal maar liefst 16,16% van de personen in invaliditeit in 2023 een toelating voor een werkhervatting hadden (een toename met 4,74% ten opzichte van 2017).
Tabel 25 Evolutie van het aantal lopende toelatingen op 31/12, per leeftijdsgroep en opsplitsing primaire ongeschiktheid en invaliditeit – 2017 tot 2024

Tabel 26 Evolutie van het procentueel aandeel van het aantal toelatingen in invaliditeit t.o.v. het aantal invaliden per provincie en per gewest - 2017 tot 2023



Tabel 27 Evolutie van het procentueel aandeel van het aantal toelatingen in invaliditeit t.o.v. het aantal invaliden voor de voornaamste ziektegroepen -2017-2023


Bovenstaande tabellen geven telkens de evolutie weer voor het aantal gerechtigden met een lopende toelating op 31 december van het betreffende jaar. Figuur 40 toont het aantal nieuwe erkenningen voor een toegelaten activiteit op maandbasis in primaire arbeidsongeschiktheid en invaliditeit. Het is mogelijk dat één persoon gedurende een kalenderjaar meerdere aanvragen indient voor verschillende toegelaten activiteiten. In dat geval zal deze persoon slechts 1 keer meegeteld worden op jaarbasis, op basis van de eerste toegelaten activiteit.
Het aantal geünificeerde nieuwe toelatingen om een activiteit tijdens de erkende arbeidsongeschiktheid te hervatten, volgt zowel in 2022 als in 2023 eenzelfde patroon. Eerst is er een hoog aantal nieuwe toelatingen aan het begin van het jaar, waarna het aantal nieuwe toelatingen licht afneemt om in september opnieuw sterk te stijgen. Ook 2024 toont een gelijkaardig patroon. Dit zowel voor het aantal geünificeerde nieuwe toelatingen voor de uitoefening van een activiteit voor personen die zich in primaire arbeidsongeschiktheid bevinden (zie Figuur 41) als voor personen in invaliditeit (zie figuur 42).
Tabel 28 geeft het aantal gerechtigden weer dat met een deeltijdse activiteit startte in de loop van het betreffende jaar, voor de periode 2017-2023. De cijfers worden opgesplitst naar leeftijdscategorieën en naar de periode arbeidsongeschiktheid waarin de activiteit werd aangevat (primaire arbeidsongeschiktheid of invaliditeit).
Het aantal gerechtigden dat een deeltijdse activiteit aanvangt vertoont tussen 2017 en 2023 een stijgende tendens, ongeacht de leeftijdscategorie. De grootste stijgingen doen zich voor bij de gerechtigden met een leeftijd:
- van 60 jaar of meer (+245,03%)
- tussen 55 en 59 jaar (+129,97%).
Het grootste aantal personen met een nieuwe toelating voor een deeltijdse werkhervatting bevinden zich in primaire arbeidsongeschiktheid. Van de 77.261 gerechtigden die in de loop van 2023 met een deeltijdse activiteit zijn gestart:
- bevond 68,98% zich in primaire arbeidsongeschiktheid en
- 31,02% in invaliditeit.
Deze trend is ook aanwezig in de daaraan voorafgaande jaren, met meer nieuwe toelatingen voor een deeltijdse werkhervatting tijdens de periode van primaire arbeidsongeschiktheid in vergelijking met de periode in invaliditeit.
Op de toelating van de adviserend arts voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit wordt een maximaal toegelaten werkvolume vermeld dat de betrokkene mag werken op weekbasis. De meeste gerechtigden (tabel 29) hebben een toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit aan een volume tussen de 15u en de 25u per week (wat ongeveer overeenstemt met een halftijdse betrekking). Over de jaren heen is het percentage in deze categorieën wel licht gedaald. In de categorie met een toegelaten arbeidsvolume van minder dan 15u per week is er dan weer een beperkte procentuele toename. Het percentage mensen met een toelating voor een arbeidsvolume groter dan 25u is de afgelopen jaren ook licht toegenomen. Deze cijfers hebben betrekking op personen in primaire arbeidsongeschiktheid en invaliditeit.
Tabel 28 Evolutie van het aantal intredes, per leeftijdsgroep en opsplitsing primaire ongeschiktheid en invaliditeit-2017-2023


Tabel 29 Evolutie van het aantal intredes, per toegestaan werkvolume op weekbasis- 2017-2023

Uit een analyse van het aantal gerechtigden die in de loop van het betreffende jaar de deeltijdse activiteit hebben stopgezet, opgesplitst naar de reden van stopzetting (tabel 30) blijkt dat in 2023 in 44,86% van de gevallen de stopzetting van de deeltijdse activiteit wordt gevolgd door een volledige werkhervatting. Voor de voorbije jaren bedroeg dit percentage in het jaar:
- 2017: 47,07%
- 2018: 42,11%
- 2019: 40,95%
- 2020: 36,06%
- 2021: 45,39%
- 2022: 46,85%
Deze cijfers tonen aan dat het systeem van een deeltijds toegelaten activiteit in een groot deel van de gevallen resulteert in een terugkeer naar de arbeidsmarkt.
Een tweede belangrijke verklaring voor het stopzetten van de deeltijds toegelaten activiteit is de terugkeer naar volledige arbeidsongeschiktheid. Doorheen de geobserveerde periode bedroeg dit percentage:
- 2017: 30,4 %
- 2018: 34,09%
- 2019: 35,08%
- 2020: 54,28%
- 2021: 41,71%
- 2022: 39,32%
- 2023: 39,76%
Behalve in 2020, liggen de percentages voor de stopzetting van de deeltijds toegelaten activiteit omwille van een terugkeer naar volledige arbeidsongeschiktheid dus lager dan die omwille van een terugkeer naar de arbeidsmarkt. De sterke toename van het aantal gerechtigden dat bij stopzetting van de toegelaten activiteit terugkeert naar volledige arbeidsongeschiktheid in 2020 is vermoedelijk een gevolg van de uitbraak van de COVID-pandemie vanaf maart 2020.
De reden stopzetting ‘onbekend’ geeft aan dat de voorziene einddatum van de toelating werd bereikt, maar dat het ziekenfonds geen officiële stopzetting heeft gecommuniceerd. Binnen de betreffende periode werd er in bepaalde jaren voor een aanzienlijk aantal gerechtigden geen reden van stopzetting meegedeeld. Uit de cijfers blijkt echter dat dit aantal gerechtigden waarvoor de reden van stopzetting niet gekend is steeds meer daalt. Om een vergelijking tussen de verschillende dienstjaren mogelijk te maken, wordt er bij de berekening van de onderstaande procentuele aandelen geen rekening gehouden met de categorie ‘onbekend’.
Tabel 31 geeft aan dat de meerderheid van de gerechtigden de toegelaten activiteit stopzetten binnen de 6 maanden na de start van de activiteit.
In 2023 zette:
- 35,90% van de gerechtigden de deeltijdse activiteit stop binnen de 3 maanden
- 20,15% van de gerechtigden de deeltijdse activiteit stop tussen de 3 en 6 maanden na de start van de activiteit.
Tabel 30 Evolutie van de uittredes per reden van uittreden - 2017-2023

Tabel 31 Evolutie van de uittredes naar de duur van de gedeeltelijke tewerkstelling - 2017-2023

Contacten
Directie Financiën en Statistiek - TNW/ReAT
E-mail: TNW-ReAT@riziv-inami.fgov.be