print

Terug Naar Werk-barometer over zelfstandigen: participatiegraad, instroom en uitstroom arbeidsongeschiktheid

De Terug Naar Werk-barometer verzamelt een reeks kerncijfers die essentieel zijn voor het monitoren van de arbeidsongeschiktheid en het Terug Naar Werk-beleid. Dit onderdeel van de TNW-barometer geeft een overzicht van enkele kernindicatoren die de evolutie tonen van de in- en uitstroom van arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen.

Op deze pagina:

Evolutie van de participatiegraad naar geslacht en leeftijdscategorie

In dit onderdeel van de TNW-barometer berekenen we de participatiegraad voor het aantal uitkeringsgerechtigden, met andere woorden: de actieven en invaliden. Zij hebben overeenkomstig artikel 3 van het Koninklijk besluit van 20 juli 1971 immers het recht op uitkeringen in geval van ziekte. De participatiegraad komt dus overeen met het percentage van de zelfstandige uitkeringsgerechtigden (= UG) ten opzichte van de totale Belgische bevolking tussen 20 en 64 jaar (= BEV). Bovendien worden ambtenaren en werknemers niet in rekening gebracht bij de UG. 

De evolutie van de participatiegraad zoals hier beschreven geeft een inzicht in de mogelijke omvang en de impact van arbeidsongeschiktheid binnen een samenleving. Echter, de participatiegraad kan variëren afhankelijk van verschillende factoren zoals: leeftijd, geslacht en sector. In de volgende analyses ligt de focus op verschillen naar geslacht en leeftijd en de intersectionaliteit van beide factoren. 

Tabel 1 geeft de participatiegraad weer voor mannen opgesplitst per leeftijdscategorie. Over het algemeen is er een lichte stijging in het aantal mannen tussen 20 en 64 jaar dat als zelfstandige actief deelneemt aan het beroepsleven, namelijk van 12,67% naar 13,44%. Een opsplitsing per leeftijdscategorie toont aan dat er in alle leeftijdscategorieën een stijging is over de geobserveerde periode. De sterkste toenames doen zich voor in de leeftijdscategorie 60-64 jaar (+1,65% tussen 2018 en 2024) en in de leeftijdscategorie 35-39 jaar (+1,50% tussen 2018 en 2024).  

In de leeftijdscategorieën 20-24 merken we op dat, naast een stijging tussen 2018 en 2024, de participatiegraad lager blijft in vergelijking met de andere leeftijdscategorieën. 

 

Zoals weergegeven in Figuur 1 en Figuur 2, kunnen we dit voor de leeftijdscategorie 20-24 verklaren door het hoge aantal jongeren die langer studeren en dus geen deel uitmaken van het aantal uitkeringsgerechtigden. 

De participatiegraad bij vrouwen laat, net zoals bij mannen het geval was, een stijgende tendens optekenen tussen 2018 en 2024: waar in 2018 6,34% van het aantal vrouwen tussen 20 en 64 jaar als zelfstandige deelneemt aan het systeem, is dit percentage in 2024 toegenomen naar 7,09% (Tabel 2). De sterkste toenames doen zich ook voor bij de vrouwen in de leeftijdscategorie 60-64 jaar (+1,54% tussen 2018 en 2024) gevolgd door de leeftijdscategorieën 30-34 en 35-39 (respectievelijk +1,22% en +1,23%). Eveneens valt op te merken dat, ondanks een algemene stijging tussen 2018 en 2024, de participatiegraad voor de leeftijdscategorieën 20-24 en 60-64 lager bleef vergeleken met de andere leeftijdscategorieën. Ook hier kan dit voor de leeftijdscategorie 20-24 verklaard worden door de langere studietijd van jongeren (Figuur 3 en 4).

Instroom in de primaire arbeidsongeschiktheid

Figuur 5 geeft een overzicht van het aantal personen die intreden in primaire arbeidsongeschiktheid en die ten laste vallen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering (ZIV) voor de periode januari 2019 tot en met oktober 2024. Hun ziekteperiode valt dus na de carenzperiode indien van toepassing. Tot en met 30 juni 2019 bedroeg de carenzperiode 14 dagen. Sinds 1 juli 2019 is de carenzperiode afgeschaft op voorwaarde dat de ziekteperiode minstens 8 kalenderdagen duurt. Personen waarvoor de duur van de ziekte de periode van 7 dagen niet overschrijdt, en die niet ten laste vallen van de ZIV zitten niet vervat in onderstaande cijfers.

Daarnaast zien we in de cijfers een opvallende piek in maart 2020. Deze piek is gelinkt aan de gezondheidscrisis ten gevolge van COVID-19. De pieken genoteerd in november en december 2021 en in januari 2022 zijn toe te schrijven aan de vierde COVID-19-golf. Daarentegen was het aantal nieuwe gevallen van primaire arbeidsongeschiktheid in april en mei 2020 juist lager.

Deze gegevens laten ook zien dat, als men het jaar 2020 en de maanden van de vierde COVID-19-golf buiten beschouwing laat, het aantal intredes ten laste van de ZIV-uitkeringsverzekering jaarlijks eenzelfde patroon volgt. Zo zien we dat er telkens een hogere instroom zichtbaar is in januari, gevolgd door een daling en opnieuw een stijging in maart. Daarnaast is er een daling in augustus, gevolgd door een stijging tot oktober gevolgd door een daling in november en een nieuwe stijging in december.

De onderstaande cijfers tonen aan dat, behalve voor de twee golven, COVID-19 over het algemeen niet geleid heeft tot een structurele toename van het aantal arbeidsongeschiktheidsgevallen.

Eenzelfde persoon kan tijdens één kalenderjaar, of over de tijdsspanne van verschillende kalenderjaren, meerdere keren geteld worden wanneer het gaat om verschillende ziekteperiodes.

Volledige uitstroom uit arbeidsongeschiktheid tijdens primaire arbeidsongeschiktheid

Figuur 6 geeft een overzicht van het aantal personen die gedurende de periode van primaire arbeidsongeschiktheid uitstromen.

De in Figuur 6 gepresenteerde uitstroom tijdens de primaire arbeidsongeschiktheid kan volgende betekenissen hebben:

  • werkhervatting
  • overlijden
  • pensionering.

Deze figuur toont dus het aantal mensen die voor een bepaalde maand niet langer primair arbeidsongeschikt erkend zijn. In onderstaande cijfers houden we geen rekening met wie uitstroomt naar langdurige arbeidsongeschiktheid.

Deze figuur toont dat de uitstroom uit primaire arbeidsongeschiktheid voor de periode tussen januari 2019 en november 2024 een seizoensgebonden patroon volgt. Onderstaande figuur toont, analoog met Figuur 5, dat er een piek is in de uitstroom tijdens primaire arbeidsongeschiktheid voor de maanden maart en april 2020. Deze sterke uitstroom is vermoedelijk gelinkt aan de eerste COVID-19-golf. De pieken in de uitstroom tijdens de primaire arbeidsongeschiktheid die zichtbaar zijn in november en december 2021, evenals januari 2022, hangen vermoedelijk samen met de vierde golf van COVID-19.

Figuur 7 toont aan dat gedurende de onderzochte periode de meeste uittredes uit primaire arbeidsongeschiktheid gelinkt zijn aan een werkhervatting. Een uittrede door werkhervatting kan gezien worden als een positieve ontwikkeling, aangezien de terugkeer naar werk de deelname aan het maatschappelijk leven bevordert.

Het RIZIV en de verzekeringsinstellingen (adviserend artsen, medewerkers van de multidisciplinaire teams, TNW-coördinatoren) zetten zich in voor de re-integratie van deze personen door middel van verschillende instrumenten. Deze instrumenten zijn erop gericht om de terugkeer naar de arbeidsmarkt van personen in arbeidsongeschiktheid zo soepel en snel mogelijk te laten verlopen. We verwachten dat op termijn de cijfers van de uittredes uit primaire arbeidsongeschiktheid zullen stijgen, en dit als gevolg van de hervorming die van toepassing is sinds 1 januari 2024. Deze hervorming zorgt ervoor dat personen gedurende deze periode van nabij worden opgevolgd en begeleid.

Figuur 8 geeft voor de in Figuur 7 gepresenteerde uitstroom naar de arbeidsmarkt de duurtijd in primaire arbeidsongeschiktheid weer op het ogenblik van uittreden. Deze grafiek toont duidelijk aan dat (vanaf januari 2019 tot en met november 2024) de terugkeer naar de arbeidsmarkt het hoogst is voor mensen binnen de eerste 91 dagen in primaire arbeidsongeschiktheid.

Aantal personen die instromen in langdurige arbeidsongeschiktheid

Vanaf het moment dat iemand 1 jaar arbeidsongeschikt erkend is, spreken we van een langdurige arbeidsongeschiktheid en treedt de persoon in invaliditeit.

Figuur 9 geeft de evolutie van het totaal aantal personen weer die intreden in invaliditeit. Deze cijfers tonen het aantal intredes in invaliditeit op maandbasis voor de periode januari 2019 tot en met december 2024.

Deze cijfers tonen aan dat, met uitzondering van 2021, het aantal personen die intreden in invaliditeit een jaarlijks terugkerend patroon volgen, met een hoger aantal intredes in januari dat vervolgens afneemt in februari, een stijging in september-oktober, om vervolgens in november weer te dalen. Uit deze cijfers blijkt dat de hoge instroom van mensen in primaire arbeidsongeschiktheid in maart 2020, november 2021, december 2021 en januari 2022 ten gevolge van de COVID-19-pandemie (zie Figuur 5) zich niet vertaalt in een hogere instroom van mensen in invaliditeit in maart 2021, november 2022, december 2022 en januari 2023. Bijkomend valt in Figuur 9 op dat er in de maanden april en mei 2021 opmerkelijk minder personen zijn ingetreden in invaliditeit. Deze lage instroom kan verklaard worden door een lager aantal personen die in april en mei 2020 zijn ingestroomd in de primaire arbeidsongeschiktheid (zie ook Figuur 5). Wanneer we kijken naar de jaren 2019 tot en met 2024 kunnen we stellen dat het aantal personen dat intreedt in invaliditeit jaarlijks toeneemt.

Volledige uitstroom uit arbeidsongeschiktheid tijdens invaliditeit

Figuur 10 geeft een overzicht van het aantal personen die op maandbasis uittreden uit invaliditeit voor de periode januari 2019 tot en met december 2024. Er zijn verschillende redenen waarom iemand mogelijk niet langer als arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Zo kan de uitstroom volgende zaken betekenen:

  • werkhervatting
  • overlijden
  • pensionering.

Figuur 10 toont dat doorheen de jaren de uitstroom van personen uit arbeidsongeschiktheid tijdens invaliditeit toeneemt (3.855 in 2019, 3.962 in 2020, 4.389 in 2021, 4.395 in 2022, 4.523 in 2023 en 4.735 in 2024).

Onderstaande grafieken (Figuur 11, Figuur 12, Figuur 13, Figuur 14) tonen voor de periode januari 2019 tot en met december 2024 de uitsplitsing naar reden van uittreden in absolute aantallen. Hieruit blijkt dat er in juli telkens een opvallende piek wordt vastgesteld van het aantal personen dat uittreedt, deze is het gevolg van een hoog aantal uittredes door pensionering. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de periode van vergoede arbeidsongeschiktheid van januari tot juni voldoende is om als een volledig loopbaanjaar te worden beschouwd (= twee werkkwartalen of gelijkgesteld). De betrokken persoon vervult dus al vanaf de maand juli de toepasselijke loopbaanvoorwaarde in het kader van het vervroegde rustpensioen. Het verhoogd aantal uittredes uit invaliditeit naar pensioen in de maand juli is een gevolg van deze maatregel.

Toestand aantal langdurig arbeidsongeschikte personen

Om het totale aantal personen in invaliditeit van een bepaalde maand te kennen, moet gekeken worden naar de toestand invaliditeit (Figuur 15). Deze toestand invaliditeit geeft op maandbasis het absoluut aantal personen weer die zich op dat ogenblik in invaliditeit bevinden, rekening houdend met de intredes in invaliditeit en de uittredes uit invaliditeit. Belangrijk hierbij is ook dat deze cijfers een momentopname zijn op het einde van elke maand met betrekking tot het totale aantal zelfstandigen die in die maand erkend zijn in invaliditeit. Deze cijfers kunnen dus uitsluitend op maandbasis geïnterpreteerd worden en zijn niet cumulatief.

De grafiek toont voor het stelsel van de zelfstandigen een stijging van 29.463 personen in invaliditeit in januari 2022 naar 35.445 personen in invaliditeit in december 2024. Deze stijging kan verklaard worden vanuit demografische tendensen (bijvoorbeeld toename van de beroepsbevolking, vergrijzing ervan, toename van de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt tot op hogere leeftijd, verdere toename van pathologieën die verband houden met psychische stoornissen en musculoskeletale aandoeningen, enz.).

De in Figuur 15 weergegeven cijfers tonen de toestand in invaliditeit van een specifieke maand. Hierbij is het echter belangrijk dat dit ook personen omvat die tijdens hun arbeidsongeschiktheid met toelating van de adviserend arts een toegelaten werkhervatting uitvoeren en dus deeltijds actief zijn op de arbeidsmarkt. Een toegelaten werkhervatting vormt een essentieel onderdeel van het re-integratiebeleid.

  • op 31 december 2019 had 22,11% van de mensen in invaliditeit een toegelaten werkhervatting
  • op 31 december 2020 ging het om 22,99%
  • op 31 december 2021 het om 24,74%
  • op 31 december 2022 ging het om 26,02%
  • op 31 december 2023 ging het om 26,45%
  • op 31 december 2024 ging het om 27,49%, wat een positieve evolutie aantoont.

Volgende Figuur 16 toont de verhouding ten opzichte van de toestand in invaliditeit voor het stelsel van de zelfstandigen.

Sociodemografische kenmerken van het aantal langdurig arbeidsongeschikten (geslacht, leeftijdsgroep, provincie, gewest)

Zoals hierboven aangehaald zijn er verschillende sociodemografische factoren die de stijging van het aantal personen in invaliditeit verklaren. In wat volgt worden cijfers weergegeven die de evolutie tonen naar:

  • het geslacht (Figuur 17 en Tabel 3)
  • de leeftijdscategorie (Figuur 18 en Tabel 4)
  • de provincie en het gewest (Tabel 5 en Tabel 6).

Voor het geslacht en de leeftijdscategorie geven de cijfers telkens de situatie weer op 31 december. Terwijl voor de gegevens met betrekking tot de provincie en het gewest wordt gekeken naar de situatie op 30 juni.

Deze evolutie wordt op twee manieren voorgesteld:

  • het absoluut aantal personen in invaliditeit
  • de invaliditeitsgraad, die overeenstemt met het percentage van het aantal personen met een erkende invaliditeit op een gegeven datum ten opzichte van het aantal uitkeringsgerechtigden (= UG).

Een uitkeringsgerechtigde zelfstandige heeft overeenkomstig artikel 3 van het Koninklijk besluit van 20 juli 1971 het recht op een uitkering in geval van ziekte. De invaliditeitsgraad geeft dus het percentage van de uitkeringsgerechtigden weer dat invalide is, of m.a.w. de kans dat een uitkeringsgerechtigde invalide is.

De eerste sociodemografische factor die hier aan bod komt is de verdeling naar geslacht. Zoals blijkt uit Figuur 17 blijft het aandeel mannen met een invaliditeit gedurende de hele periode 2018-2024 systematisch hoger dan dat van vrouwen: 60,53% mannen in 2018 en 56,30% mannen in 2024.

Voor beide groepen merken we een stijging op over de betrokken periode. Die stijging is doorheen de tijd echter sterker bij vrouwen (+51,75%) in vergelijking met mannen (+27,47%).

Deze stijgende tendens is ook zichtbaar in de invaliditeitsgraad (Tabel 3). Deze stijgt immers tussen 2018 en 2024 met 1,61% voor vrouwen tegen 0,65% voor mannen.

Figuur 18 geeft hieronder de situatie weer van het aantal personen in invaliditeit voor de periode 2018-2024, opgesplitst naar leeftijdsgroep. Uit deze cijfers blijkt dat over de geobserveerde periode het merendeel van de personen in invaliditeit 50 jaar of ouder is. Dit aandeel neemt licht af over deze periode (76,95% in 2018 tegen 72,28% in 2024). De sterkste stijgingen worden vastgesteld in de leeftijdsgroepen 30-34 en 35-39 jaar, met een toename van meer dan 100% tussen 2018 en 2024 (respectievelijk 107,09% en 104,58%).

Tabel 4 geeft de evolutie van de invaliditeitsgraad weer voor dezelfde periode. Deze analyse toont aan dat de invaliditeitsgraad in elke leeftijdscategorie is toegenomen over de geobserveerde periode op uitzondering van de mensen met een leeftijd tussen 60 en 64 jaar. De sterkste toenames kunnen worden vastgesteld in de leeftijdscategorie 65+ (+3,11%).

Tabel 5 toont de verdeling van het aantal invaliden naar enerzijds de provincie en anderzijds het gewest, op 30 juni van het betreffende jaar. De rubriek "Buitenland" geeft het aantal mensen weer die in het buitenland wonen.

Uit deze tabel blijkt dat het absolute aantal invaliden het hoogst is in het Vlaamse gewest (55,50%). Wel neemt tussen 2018 en 2024 het aantal invaliden in het Brussels Hoofdstedelijk gewest (69,12%) en het Waalse gewest (37,93%) sterker toe, vergeleken bij het Vlaamse gewest (29,76%).

Wat betreft de opsplitsing naar provincie valt op te merken dat de stijging in het Waalse gewest voornamelijk een gevolg is van een sterke stijging in Namen (48,86%) en Waals Brabant (54,76%).

Tabel 5 Evolutie aantal invaliden (30 juni) - per provincie en gewest

Tabel 6 toont voor dezelfde opdeling de invaliditeitsgraad. Hieruit blijkt dat de invaliditeitsgraad in het Waalse gewest aanzienlijk hoger ligt dan in het Brussels Hoofdstedelijk en het Vlaamse gewest. 
Net zoals het geval was bij de invaliden, neemt de invaliditeitsgraad in het Brussels Hoofdstedelijk gewest (+1,57%) en het Waalse gewest (+1,38%) over de geobserveerde periode sterker toe dan in het Vlaamse gewest (0,60%). Wat betreft de opdeling naar provincie kunnen we vaststellen dat de stijging het hoogst is in Henegouwen en Namen.

Tabel 6 Evolutie invaliditeitsgraad (30 juni) - per provincie en gewest

Een andere belangrijke sociodemografische verklaring is de verdere toename van het aantal langdurig arbeidsongeschikten met een psychische stoornis of een musculoskeletale aandoening. Onderstaande Tabel 7 geeft de toestand van het aantal invaliden weer voor de periode 2018-2024, opgesplitst naar ziektegroep.

We maken een onderscheid naar de 6 voornaamste ziektegroepen (ZG), die het hoogste aandeel vertegenwoordigen in het totaal:

  • ZG 2: gezwellen
  • ZG 5: psychische stoornissen
  • ZG 6, 7 en 8: ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen
  • ZG 9: ziekten van het hartvaatstelsel
  • ZG 13: ziekten van het bewegingsstelsel en het bindweefsel
  • ZG 19: ongevalletsels en vergiftigingen.

We groeperen de ziektegroepen 6, 7 en 8 hierbij onder de categorie ‘ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen’. De overige ziektegroepen brengen we onder in een categorie ‘andere’. Uit Tabel 7 blijkt dat de psychische stoornissen (ziektegroep 5) en de ziekten van het bewegingsstelsel en het bindweefsel (ziektegroep 13) tussen 2018 en 2024 het sterkst zijn gestegen. Dit met respectievelijk 4.218 en 2.304 invaliden, oftewel een totaal aandeel van 44,02% en 24,04% van de totale toename tussen 2018 en 2024. Bovendien vertegenwoordigen deze twee ziektegroepen op 31 december 2024 de grootste groep personen in invaliditeit met 28,84% (ZG5) en 28,49% (ZG13).

Tabel 7 Evolutie aantal invaliden - per ziektegroep

Zoals uit voorgaande tabellen blijkt, vormen de psychische stoornissen (ZG5) en de ziekten van het bewegingsstelsel en het bindweefsel (ZG13) belangrijke uitdagingen. Wat betreft de ziektegroep ‘psychische stoornissen’ blijkt uit een meer gedetailleerde analyse naar de twee voornaamste diagnoses van deze ziektegroep (depressie en burn-out) in Tabel 8 dat het aandeel van de mensen met een burn-out of depressie in het totaal van het aantal mensen met een psychische stoornis over de vastgestelde periode ook aanzienlijk is toegenomen. Waar dit percentage in 2018 66,48% bedroeg, is het aandeel in 2024 al gegroeid tot 75,62%. Meer dan een vijfde van de mensen in invaliditeit op 31 december 2024 lijdt aan een burn-out of depressie (21,81%), een toename met 6,38% ten opzichte van de situatie op 31 december 2018 (15,44%).

Tabel 8 Evolutie aantal personen in invaliditeit voor depressie of burn-out

Tabel 9 geeft de evolutie van de invaliditeitsgraad voor de periode 2018-2024 weer, uitgesplitst per ziektegroep. De invaliditeitsgraad voor mensen met een psychische stoornis neemt over deze periode sterker toe dan voor mensen die lijden aan een ziekte van het bewegingsstelsel en het bindweefsel (respectievelijk +0,51% en +0,22%).

Tabel 9 Evolutie invaliditeitsgraad - per ziektegroep

Meer info: bekijk hier de Terug Naar Werk-barometer over werknemers.