Gerelateerde pagina's
Terug Naar Werk-barometer over zelfstandigen: toegelaten werkhervattingen
De Terug Naar Werk-barometer verzamelt een reeks kerncijfers die essentieel zijn voor het monitoren van de arbeidsongeschiktheid en het Terug Naar Werk-beleid.
Het stelsel van toegelaten werkhervatting maakt het mogelijk dat binnen de ziekte- en invaliditeitsverzekering (ZIV) personen, met goedkeuring van de adviserend arts het werk tijdens de periode van erkende arbeidsongeschiktheid kunnen hervatten. Dit is een belangrijk onderdeel van het re-integratieproces, waarbij de persoon geleidelijk weer aan het werk kan gaan, terwijl er nog steeds ondersteuning is vanuit de ZIV.
Op deze pagina:
Kerncijfers toegelaten activiteit
Het stelsel van toegelaten werkhervatting is van cruciaal belang omdat het personen in arbeidsongeschiktheid de kans biedt om het werk te hervatten op een manier die rekening houdt met hun gezondheidstoestand. Het kan hier gaan om een hervatting van de vroegere activiteit of het aanvatten van een nieuwe activiteit. Het stelt hen in staat om geleidelijk aan hun werkcapaciteit te verbeteren, wat bijdraagt aan hun sociale en professionele integratie. Om de toelating al dan niet te kunnen verstrekken, moet de adviserend arts nagaan of de persoon nog een vermindering van het vermogen vanuit medisch oogpunt van ten minste 50% behoudt en of de uitoefening van de activiteit verenigbaar is met de gezondheidstoestand. Afhankelijk van de concrete situatie volgt er een overleg met (medische) professionals.
Deze pagina toont enkele kerncijfers over:
- het aantal mensen met een lopende toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit, opgesplitst naar leeftijdscategorieën, provincie, gewest en voornaamste ziektegroepen
- het aantal mensen dat een toelating voor het aanvatten van een deeltijdse activiteit heeft ontvangen, opgesplitst naar leeftijdscategorieën en per toegestaan werkvolume op weekbasis
- het aantal mensen dat in de loop van het betreffende jaar de deeltijdse activiteit heeft stopgezet, opgesplitst naar de reden van stopzetting en de duur van de gedeeltelijke werkhervatting op het moment van de stopzetting.
Tabel 24 geeft het aantal mensen weer met een lopende toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit op 31 december van het betreffende jaar, voor de periode 2018-2024. De cijfers zijn opgesplitst naar leeftijdsgroep en naar de periode arbeidsongeschiktheid (primaire arbeidsongeschiktheid of invaliditeit).
Hieruit kan worden afgeleid dat het aantal mensen met een lopende toelating voor een deeltijdse activiteit tussen 2018 en 2024 aanzienlijk stijgt.
De grootste stijgingen tussen 2018 en 2024 zien we bij mensen met een leeftijd:
- tussen 35 en 39 jaar: +185,11%
- jonger dan 35 jaar: +151,58%.
In tegensteling tot het aantal mensen dat een nieuwe toelating heeft aangevat (zie Tabel 27) waarbij het grootste aantal nieuwe toelatingen aangevraagd wordt in primaire arbeidsongeschiktheid, ligt het aandeel personen met een toegelaten werkhervatting (Tabel 24) systematisch hoger tijdens de periode in invaliditeit, in vergelijking met de periode in primaire arbeidsongeschiktheid. Dit aantal schommelt telkens rond de 80%.
Het aandeel personen in invaliditeit met een toegelaten werkhervatting ten opzichte van het aantal personen in invaliditeit is gestegen tussen 2018 en 2024 (Tabel 25).
Afhankelijk van het gewest verschilt het aantal mensen in invaliditeit met een lopende toelating van het aantal personen in invaliditeit (Tabel 25). In Vlaanderen ligt het aandeel lopende toegelaten werkhervattingen in invaliditeit systematisch het hoogst ten opzichte van het aantal personen in invaliditeit: 22,45% in 2018 en 29,98% in 2024. Zowel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als in het Waalse Gewest is er gedurende de voorgestelde periode een duidelijke stijging merkbaar van respectievelijk 10,44% in 2018 naar 16,42% in 2024 en 18,45% in 2018 naar 27,61% in 2024. Voor de geobserveerde periode kent het Waalse Gewest de grootste stijging (+9,16%), gevolgd door het Vlaamse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (respectievelijk +7,53% en +5,98%).
In het Vlaamse Gewest is het procentueel aandeel toelatingen werkhervatting in invaliditeit ten opzichte van het totaal aantal personen in invaliditeit het hoogste in West-Vlaanderen. In 2024 had maar liefst 34,22% van de personen in invaliditeit er een toelating voor een deeltijdse activiteit, gevolgd door Oost-Vlaanderen met 30% in 2024. In het Waalse Gewest ligt het aandeel het hoogst in de provincies Luxembourg (33,07%) en Waals-Brabant (31,25%).
Tabel 26 maakt een onderscheid tussen de 6 voornaamste ziektegroepen, die het hoogste aandeel vertegenwoordigen in het totaal. Deze 6 ziektegroepen (ZG) zijn als volgt samengesteld:
- ZG 2: gezwellen
- ZG 5: psychische stoornissen
- ZG 6, 7 en 8: ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen
- ZG 9: ziekten van het hartvaatstelsel
- ZG 13: ziekten van het bewegingsstelsel en het bindweefsel
- ZG 19: Ongevalletsels en vergiftigingen.
De ziektegroepen 6, 7 en 8 worden hierbij gegroepeerd onder de categorie ‘ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen’. De overige ziektegroepen worden gegroepeerd in een categorie ‘andere’.
In de onderstaande tabel 26 wordt het aantal personen in invaliditeit met een lopende toegestane activiteit, voor de voornaamste ziektegroepen, vergeleken met de totale populatie in invaliditeit. Hieruit blijkt dat voor 2023 het aandeel van het aantal invaliden met een lopende toelating het hoogst ligt bij personen met een gezwel (34,52%). Bij personen met psychische stoornissen ligt het procentueel aandeel het laagst (20,91% in 2023). Verder valt ook op te merken dat de ziektegroep ‘ziekten van het bewegingsstelsel en het bindweefsel’ 27,22% bedraagt.
Over de periode 2017 tot en met 2023 neemt het procentuele aandeel van de mensen met een lopende toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit het sterkst toe bij bepaalde ziektegroepen, namelijk:
- ZG 2: gezwellen (+7,48%)
- ZG 19: ongevalletsels en vergiftigingen (+5,78%).
Bovendien zien we dat in totaal maar liefst 26,45% van de personen in invaliditeit in 2023 een toelating voor een werkhervatting hadden, een toename met 8,06% ten opzichte van 2017.
Tabel 24 Evolutie van het aantal lopende toelatingen op 31 december, per leeftijdsgroep en opsplitsing primaire ongeschiktheid en invaliditeit – 2017 tot 2024

Tabel 25 Evolutie van het procentueel aandeel van het aantal toelatingen in invaliditeit t.o.v. het aantal personen in invaliditeit per provincie en per gewest - 2018 tot 2024



Tabel 26 Evolutie van het procentueel aandeel van het aantal toelatingen in invaliditeit t.o.v. het aantal personen in invaliditeit voor de voornaamste ziektegroepen -2017-2023


Bovenstaande tabellen geven telkens de evolutie weer voor het aantal mensen met een lopende toelating op 31 december van het betreffende jaar. Figuur 39 toont het aantal nieuwe erkenningen voor een toegelaten activiteit op maandbasis in primaire arbeidsongeschiktheid en invaliditeit. Het is mogelijk dat 1 persoon gedurende een kalenderjaar meerdere aanvragen indient voor verschillende toegelaten activiteiten. In dat geval zal deze persoon slechts 1 keer meegeteld worden op jaarbasis, op basis van de eerste toegelaten activiteit.
Het aantal geünificeerde nieuwe toelatingen om een activiteit tijdens de erkende arbeidsongeschiktheid te hervatten, volgt zowel in 2022 als in 2023 eenzelfde patroon. De algemene tendensen zijn als volgt: een hoog aantal toelatingen in januari, een piek in maart-april, een daling tijdens de zomerperiode, een hoog aantal in september gevolgd door een afname aan het einde van het jaar. Dit zowel voor het aantal geünificeerde nieuwe toelatingen voor de uitoefening van een activiteit voor personen die zich in primaire arbeidsongeschiktheid bevinden (zie Figuur 40) als voor personen in invaliditeit (zie Figuur 41).
Tabel 29 geeft het aantal gerechtigden mensen weer dat met een deeltijdse activiteit startte in de loop van het betreffende jaar, voor de periode 2018-2024. De cijfers worden opgesplitst naar leeftijdscategorieën en naar de periode arbeidsongeschiktheid waarin de activiteit werd aangevat (primaire arbeidsongeschiktheid of invaliditeit).
We zien tussen 2018 en 2024 een stijgende tendens in het aantal mensen dat een deeltijdse activiteit aanvangt, ongeacht de leeftijdscategorie. De grootste stijgingen doen zich voor bij de mensen met een leeftijd:
- tussen 35 en 39 jaar (+160,27%)
- tussen 30 en 34 jaar (+131,20%).
Het grootste aantal personen met een nieuwe toelating voor een deeltijdse werkhervatting bevinden zich in primaire arbeidsongeschiktheid. Van de 9.661 mensen die in de loop van 2024 met een deeltijdse activiteit zijn gestart bevond:
- 68,77% zich in primaire arbeidsongeschiktheid
- 31,02% zich in invaliditeit.
Deze trend is ook aanwezig in de daaraan voorafgaande jaren, met meer nieuwe toelatingen voor een deeltijdse werkhervatting tijdens de periode van primaire arbeidsongeschiktheid in vergelijking met de periode in invaliditeit.
Op de toelating van de adviserend arts voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit wordt een maximaal toegelaten werkvolume vermeld dat de persoon mag werken op weekbasis. De meeste mensen (Tabel 28) hebben een toelating voor het uitoefenen van een deeltijdse activiteit aan een volume tussen de 15 uur en de 25 uur per week (wat ongeveer overeenstemt met een halftijdse betrekking). Over de jaren heen is het percentage in deze categorieën wel licht gedaald. In de categorie met een toegelaten arbeidsvolume van minder dan 15 uur per week is er dan weer een beperkte procentuele toename. Het percentage mensen met een toelating voor een arbeidsvolume groter dan 25 uur is de afgelopen jaren ook licht toegenomen. Deze cijfers hebben betrekking op personen in primaire arbeidsongeschiktheid en invaliditeit.
Tabel 27 Evolutie van het aantal intredes, per leeftijdsgroep en opsplitsing primaire ongeschiktheid en invaliditeit-2018-2024

Tabel 28 Evolutie van het aantal intredes, per toegestaan werkvolume op weekbasis- 2018-2024

Uit een analyse van het aantal mensen die in de loop van het betreffende jaar de deeltijdse activiteit hebben stopgezet, opgesplitst naar de reden van stopzetting (Tabel 29) blijkt dat in 2024 in 33,89% van de gevallen de stopzetting van de deeltijdse activiteit wordt gevolgd door een volledige werkhervatting. Voor de voorbije jaren bedroeg dit percentage:
- 2018: 40,01%
- 2019: 37,82%
- 2020: 33,32%
- 2021: 35,17%
- 2022: 33,43%
- 2023: 35,69%.
Deze cijfers tonen aan dat het systeem van een deeltijds toegelaten activiteit in een groot deel van de gevallen resulteert in een terugkeer naar het werk.
Een tweede belangrijke verklaring voor het stopzetten van de deeltijds toegelaten activiteit is de terugkeer naar volledige arbeidsongeschiktheid. Doorheen de geobserveerde periode bedroeg dit percentage:
- 2018: 26,96%
- 2019: 33,43%
- 2020: 51,91%
- 2021: 45,73%
- 2022: 45,86%
- 2023: 43,51%
- 2024: 34,74%.
De reden stopzetting ‘onbekend’ geeft aan dat de voorziene einddatum van de toelating werd bereikt, maar dat het ziekenfonds geen officiële stopzetting heeft gecommuniceerd. Binnen de betreffende periode werd er in bepaalde jaren voor een aanzienlijk aantal mensen geen reden van stopzetting meegedeeld. Uit de cijfers blijkt echter dat dit aantal mensen waarvoor de reden van stopzetting niet gekend is steeds meer daalt. Om een vergelijking tussen de verschillende dienstjaren mogelijk te maken, wordt er bij de berekening van de onderstaande procentuele aandelen geen rekening gehouden met de categorie ‘onbekend’.
Daarnaast zien we ook dat er in het verleden een aanzienlijk aantal dossiers met reden stopzetting ‘andere’ werden aangeduid. Om het aantal dossiers met die reden verder in te perken, zijn vanaf 1 januari 2024 bijkomende codes voorzien om een fijner detail in de reden van stopzetting mogelijk te maken.
Als gevolg van deze aanpassingen wordt vanaf de statistieken 2024 een nieuwe reden van stopzetting toegevoegd: “Gerechtigde heeft nog minstens één actief dossier, of aaneensluitende dossiers”. Deze reden van stopzetting kan worden gebruikt als:
- de gerechtigde meerdere dossiers heeft, waarvan er één of meerdere worden stopgezet, maar waarbij er minstens één dossier nog actief blijft.
- de gerechtigde een nieuwe toelating aanvat op de dag volgend op het einde van zijn/haar vorige toelating, zonder dat er een dag onderbreking tussen beide dossiers zit (aaneensluitende dossiers). Het tweede akkoord dient een nieuwe toelating te zijn.
Het betreft hier dus mensen die minstens één toegelaten activiteit stopzetten, maar toch actief blijven in het systeem van deeltijdse werkhervatting: hetzij omdat er meteen een nieuwe activiteit wordt aangevat, hetzij omdat er minstens nog één andere toelating uitgeoefend blijft.
Tabel 30 geeft aan dat de meerderheid van de mensen (60,75%) de toegelaten activiteit stopzetten binnen de 6 maanden na de start van de activiteit.
In 2024 zette:
- 13,50% van de mensen de deeltijdse activiteit stop binnen de maand
- 11,52% van de mensen de deeltijdse activiteit stop tussen de 1 en 2 maanden na de start van de activiteit.
Tabel 29 Evolutie van de uittredes per reden van uittreden - 2018-2024

Tabel 30 Evolutie van de uittredes naar de duur van de gedeeltelijke tewerkstelling - 2018-2024


Meer info: bekijk hier de Terug Naar Werk-barometer over werknemers.
Contacten
Directie Financiën en Statistiek - TNW/ReAT
E-mail: TNW-ReAT@riziv-inami.fgov.be